IN DE BOOT
Donderdag 31 Mei, ’s morgens 7 uur, lichtte de schipper het anker en trok een grote, sterke sleepboot ons uit de buitenhoven van Maastricht. De vorige avond waren we bijna allen aan boord gekomen en hadden dus al een nacht in het schip doorgebracht. Een dikke laag stro bedekte de bodem en de stemming was opperbest. Het schip was verdeeld in 3 ruimen, het voorste was “bevolkt” met 65 Ouddorpers, het middelste met 65 Dirkslanders en het achterste met ongeveer 65 man uit Middelharnis en Sommelsdijk. P.Knöps was de algemene leider. Hij had van de Repetriëringsdienst in Maastricht voor ongeveer 4 dagen eten ontvangen: brood, boter, kaakjes, vlees, worst en cigaretten. De schipper kookte koffie en we hadden een heerlijke reis, volop te eten en volop te roken en mooi weer.
Gedurende de reis zaten we op de luiken en genoten van de fijne Hollandse landschappen en natuur. We hadden het eerste oponthoud bij de Belgische douane, want we voeren een klein gedeelte over de Belgische wateren. Dat nam weer tijd in beslag. We wilden maar vlug opschieten. Gauw naar huis; we waren nu lang genoeg onder weg. Maar al die sluizen, die we moesten passeren (nog wel 18 stuks !), dat zou heel wat kostbare tijd kosten! Maar het ging de goede kant op, dus vooruit maar.
De Belgische streek was ook mooi en we zagen de zware Belgische werkpaarden in de wei lopen. De mensen reden ook op surrogaatfietsen. Ze rammelden tenminste nogal als ze ons passeerden.
’s Avonds om 5 uur hadden we “al” de tweede sluis gepasseerd. Nu nog 16! We kwamen toch ’s avonds 11 uur nog in Helmond, waar we gelegen hebben tot ’s morgens 6 uur. Om even 6 uur vertrokken we weer. We moesten nu nog 8 sluizen passeren en dan zou het vlugger gaan.
Piet Knöps had die reis druk werk met alles te verdelen. Nu eens kwam hij met brood, dan weer met kaakjes, dan met vlees, even later weer met worstjes en boter. We kregen ieder 5 cigaretten, maar die waren zo slecht dat de meesten ze overboord gooiden.
Zo kwamen we eindelijk op 1 Juni ’s middags om 4 uur in ’s Hertogenbosch en lagen daar in de grote sluis tot ’s avonds 7 uur.
We hadden gedacht, dat die avond verder gevaren zou worden, doch toen we in Engelen waren (5 Km. van ’s Hertogenbosch) vertikte de schipper van de sleepboot het om verder te gaan. We bleven daar dan de nacht liggen en zouden ’s morgens verder gaan. We stapten dus maar aan de wal en bezichtigden het kleine dorpje Engelen, dat door granaten erg veel had geleden. We waren echter gauw uitgekeken en gingen tegen 11 uur aan boorden sliepen tot de andere morgen 7 uur. Toen dachten we verder te gaan, maar we hadden pech, want de vrouw van den schipper moest te ’s Hertogenbosch bonnen halen enz. en wij moesten dus wachten tot zij terug wad.
Om 11 uur kwam ze en we gingen eindelijk weg. Wat een berg kostbare tijd hadden we nu verloren! We hadden wel een dag en een nacht eerder thuis kunnen zijn.
Om half drie passeerden we Andel, om 4 uur Sliedrecht en om 5 uur waren we in Dordrecht. Daar lagen we ongeveer één uur aan de kade. Er waren veel mensen, die naar ons kwamen kijken. We hebben ons overschot brood aan die mensen weggegeven. Ze waren er wat blij mee, want veel kregen ze nog niet.
Even voor 6 uur verlieten we Dordrecht. We lieten Rotterdam, Schiedam en
Vlaardingen rechts liggen en zouden door het Voornse Kanaal naar Hellevoetsluis
gaan, omdat de kapitein van de sleepboot bang was voor eventuele mijnen, die
misschien nog in het Spui zouden ronddrijven. Zijn vrees was echter ongegrond,
want enkele schippers, die we passeerden riepen ons toe, dat er in het Spui en op het Haringvliet absoluut geen mijnen waren. Ze waren er zojuist heen gekomen. Doch onze halsstarrige kapitein zou ons door het Kanaak varen. Weer een omweg van zeker 2 uren, want in het Kanaal zijn ook nog 2 sluizen, die gepasseerd moesten worden en we wisten nu wel wat sluizen waren! De eerste sluis was echter gauw voorbij. Nu hadden we het Kanaal in één rechte lijn voor ons. Zo kwamen we ongeveer 10 uur in de schutsluis van Hellevoetsluis. Een half uur later waren we geschut en voeren we de sluis uit en de grote plas op.
Neen, nog niet direct! De kapitein vertikte het om in het donker het Haringvliet over te steken. Hij zei, dat dit voor hem en onbekend water was en hij het beslist onverantwoordelijk vond om dan met 200 man over te steken,
Zaten we nu even in de boot ! Zo kort bij huis en dan nog een nacht in Hellevoetsluis te moeten blijven!
“Varen!”, riepen we, “varen!” We hebben je toch allemaal 20 gulden betaald ? ïs het soms niet genoeg? Dan kan je er nog wel 20 krijgen, hoor”.
Doch de boot werd gemeerd aan een steiger, even buiten de sluis.
Toen, onverwachts, als een bode uit den hemel, verscheen plotseling hulp voor ons. Een kap’tein, die met de sleepboot “Hellegat” het Haringvliet bij tij en ontij afvoer en dit water dus blindelings kende, toonde zich bereid ons naar de haven van Middelharnis te brengen.
Hoera ! leve die brave kap’tein !
Zo kwamen we even 12 uur ’s nachts de Middelharnisse haven binnen en stapten aan wal van ons dierbaar plekje grond ! Dat was Zondag 3 Juni.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.