Een schuilplaats

Op een keer was het weer zo. Wij zouden naar het turfveld gaan. Dat was een heel eind. Om er te komen kon je langs Willem en Riek, zo heette de dochter van Hofsink. Het was nog vroeg in de avond, dus besloten we even bij hen aan te gaan. We vertelden wat we van plan waren. Willem trok een bedenkelijk gezicht en zei: „Mij krijgen ze daar ’s nachts niet naar toe en jullie gaan ook niet. Je verzoept daar levend in den donker.” Ze hadden nog een leeg kamertje. Daar werden een paar pakken stro in los gemaakt. Zelf hadden we een paar dekens bij ons. Nu, we hebben er prima geslapen. De andere dag hebben we Riek nog wat geholpen, want die had het druk zat met twee kinderen, en na het stro opgeruimd en het kamertje aangeveegd te hebben, zakten we weer af naar de Kloosterdijk. Onder het huis was geen kelder, maar in overleg met Hofsink zouden we er een graven. Er werd een luik in de vloer gemaakt, en we begonnen met het zand weg te graven. Toen dat klaar was, hadden we een schuilplaats voor de volgende razzia. Er werd eens een Rode Kruis-trein tussen Mariënberg en Bergentheim beschoten. Maar daar zaten geen mensen in; die trein zat vol levensmiddelen die ze nog gauw naar Duitsland hadden willen vervoeren. Misschien is het ze toch nog gelukt. Toen het daar weer rustig was, zijn we er een kijkje wezen nemen en hebben er nog een mud aardappels meegenomen. Op een dag werden we weer gewaarschuwd dat er weer razzia zou worden gehouden, dus wij de schuilplaats in. Ik denk dat de breedte niet meer dan een meter was, want we konden niet naast elkaar liggen. In de muur zat een rooster, daar gingen we om beurten een poosje frisse lucht inademen. Dat verwisselen van plaats was nog een heel gedoe, je moest dan half over elkaar heen kruipen. Het was wel noodzakelijk, want het stonk er zo muf, dat het niet mooi meer was. Lam lag aan het rooster toen er voor hèt huis een paar Iandwachters (zwarten, zoals ze daar genoemd werden) stopten. De één vroeg aan de ander hoe laat het was. „Drie minuten voor twaalf’, was het antwoord. „Nu”, zei de ander, „dan gaan we naar de brug. Twaalf uur moeten we daar samenkomen.” We hadden nog een hele worsteling eer we weer bovengronds waren, maar het gevaar om gepakt te worden was weer geweken. Toen het zo rond maart was, gingen we de tuin spitten. Ook bij Willem, want die was peerdeboer, zoals ze daar een knecht noemden. Wij deden het met plezier en je had wat om handen. Op een dag was Lam ergens naar toe geweest en vertelde me dat hij als melkknecht bij Adams ging werken. Nu, melken kon hij wel, want hij was in de dertiger jaren bij koeboeren in Pijnacker en Zoetermeer geweest als melkknecht. Adams was een grote boer, de boerderij heette Old Ambt. Er waren een zestig melkkoeien en weinig melkers. Een paar dagen later – ik had bij Willem nog wat wezen tuinieren – liep ik Hendrik Stuut tegen ’t lijf. Hij vroeg of het waar was dat mijn broer bij Adams werkte. Dat vond hij jammer, „maar kom jij dan bij mij werken”. Ik vond het best, maar niet om te melken. Dat hoefde niet, dus ging ik op Nij Ambt werken. Wij zorgden dat we zo’n half uur eerder de brug over waren dan de werkmensen uit de streek, vanwege controles die er af en toe werden gehouden. Het aardappelpoten werd door wat oudere mannen gedaan, die eerst met een pootstok een gat in de grond maakten en vervolgens wat jongeren die er een poter in mikten en het gat dicht liepen. Dat was heel anders dan op Flakkee. Maar dat was met het meeste werk wel het geval. Met het ploegen bijvoorbeeld deden ze eerst een zelfbinder touw zoveel keren dubbel aan de ploeg vastbinden, dan haakten ze er het ploegtouw in. Ik vroeg aan Stuut waar dat voor diende. Hij legde me uit dat het land nog niet zolang was ontgonnen. En dat er hier en daar nog grote worteldelen van bomen in de grond zaten. Als ze gewoon aan de ploeg zouden vastmaken en op een obstakel zouden stuiten, dan was de ploeg ontzet en nu brak alleen het touw. Mijn broer kreeg dagelijks een liter melk. Die stond klaar als hij naar huis ging. Ik zei het tegen Stuut en ik kreeg het ook. Hij had een blauw flapje opgescharreld – er ging 1V4 liter in – maar dat gaf niet. Hij zei: „Je weet het te vinden, dus vul je het zelf maar als je weggaat.” De melkbussen stonden in stromend koud water, zodat de room boven dreef, dus was het soms meer room dan melk. Stuut vond het goed, want dan wist hij zeker dat het niet bij de verkeerde terecht kwam. In ons kosthuis was het ’s avonds nogal eens karnen geblazen. Lam had bij een timmerman een stop en een pols dat op een weckglas pasten, laten maken. Zo verkregen we boter en karnemelk. We lieten Paul weten dat we zelf ons kostgeld konden betalen, alleen de distributiebonnen hadden we nog nodig. Dus kon hij het geld weer voor anderen gebruiken. Op een morgen – ik was als gewoonlijk vroeg op de boerderij – zag ik een knaap van een varken lopen. Ik schatte het tussen 300 en 400 pond. Ik ben naar het slaapkamerraam van Stuut gegaan en hem wakker getrommeld. Hij vroeg waarom ik zo’n herrie maakte. Eerst wist hij van geen varken, maar toen hij ‘m zag lopen, was hij zo buiten. Het varken had in de schuur helemaal afgezonderd achter planken en drie pakken strobreed gezeten. Maar het had zich toch een weg weten te verschaffen naar buiten. We hadden de grootste moeite om het weer in zijn hok te krijgen. Stuut zei: „Je mond dicht houden hoor, want iedereen hoeft het niet te weten.” Ik beloofde het. „Maar ik wil er wel een stukje vlees van hebben als hij geslacht wordt.” Dat was akkoord. Nu, er werd een best zootje in ons kosthuis gebracht toen hij geslacht was. Op een regenachtige dag besloot ik naar de kapper te gaan. Je moest dan de brug over en een eindje de weg volgen. Opeens stonden er twee Iandwachters voor mijn neus. Ik schrok me een ongeluk. Ze vroegen mijn persoonsbewijs, stonden dat lang te bestuderen en vroegen toen: „Dirksland, waar ligt dat?” Er stond in: geboren te Herkingen, geëvacueerd naar Dirksland. Ik kreeg weer moed en loog er dapper op los. Toen ze zeiden dat ze niet zo lang in deze streek waren en dus nog niet zo bekend waren wat de dorpen betrof. Ik zei gauw dat het achter Sibculo lag. Ze vroegen nog wat ik daar deed. Nu, ik was hout aan het kappen in Junne bij Ommen voor de Wehrmacht en nu op pad naar huis. Mijn persoonsbewijs kreeg ik terug en ieder ging zijns weegs. Bij kapper Althof had den ze achter de ramen staan kijken en ze zagen me al afgevoerd. Ze hadden de zwarten wel achter een huis zien staan, maar hadden geen kans gezien om me te waarschuwen. ’s Zondagsmiddags gingen we weleens naar de Beerzebulten. Het was daar rustig en heel mooi. Een keer kwamen we daar op een landgoed, daar waren prachtige paarden. Lam zei: „Laten we bij die paarden gaan kijken.” Wij erheen. Opeens werden we nogal nors aangesproken wat we daar te zoeken hadden, Lam deed het woord en na een poosje werd de man vriendelijker. Hij liet ons de dravers zien of hij de eigenaar of een bedrijfsleider was of zoiets. We mochten wei vaker op het landgoed komen. Het was daar betrekkelijk veilig. Van het dienstmeisje van Stuut had ik gehoord dat er bij Stuut ook twee onderduikers waren. De een was Hans Stork, een zoon van de Stork van de motorenfabrieken en de ander was Appie, een bakkerszoon ergens uit Groningen. En er was nog een marechaussee ingekwartierd, maar wel een goeie. Hij waarschuwde de boeren bijvoorbeeld dat ze geen eten aan mensen uit de steden van het westen van Nederland moesten verkopen als er ontrole werd gehouden. En dat was er nogal eens. Want dan waren ze hun eten kwijt en konden soms wegens geldgebrek ook geen ander eten meer kopen. Stuut verkocht ook aardappels, maar nooit vroeg hij meer geld dat wat de veilingprijs was. Hij zei: „Ze kunnen me wel pakken dat ik zo verkoop, maar niet dat ik zwarte prijzen vraag.” Naar gelang maart vorderde, werd het ook drukker in de lucht. Niet alleen wat de vliegtuigen betrof, maar ook wat de V-l en V-2 betrof. Die werden bij de Riet, een plaatsje bij Almelo, gelanceerd. Die maakten een herrie als ze over kwamen, en veel vielen kort na de lancering al neer. Ook veel troepenbewegingen waren er. Op het station van Mariënberg was bewaking gelegerd. Vanwege het gevaar werd er niet meer gekerkt en werd in de hervormde kerk te Beerzerveld naar de kerk gegaan. Voor ons was dat ook gevaarlijker. Je kon niet langs binnenpaadjes zoals voorheen. Maar bij onraad werd je op allerlei manieren geholpen om er tussen uit te knijpen. Ja, wat de bevolking betrof, kon je het met beter treffen. Wat die allemaal voor een wildvreemde deden en riskeerden, was buitengewoon. Dat realiseer je je later pas goed.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.