Dhr. J. Meijer Fzn.

Toch opstandig

Het verhaal van Jan Meijer Fzn.

Het is de laatste zaterdag van de maand september 1943, als Jan op zijn gemak naar zijn zuster en zwager in Nieuwe-Tonge fietst. De laatste tijd maakt Jan dit reisje nog al eens, want deze zomer is hij door de Duitse weermacht opgeroepen, om te komen werken aan de Atlantikwall, die aangelegd wordt van Narvik tot Biarritz om een eventuele invasie van de geallieerden te voorkomen. Als hij dan in het weekend niet hoeft te werken trekt hij weg uit Ouddorp, ook omdat er nachten zijn, waarin er bommen vallen en Jan is daar echt heel bang voor. De zaterdag loopt ten einde en als de familie ’s avonds naar bed wil gaan zegt Jan nog: „Als de vliegtuigen zich maar rustig houden!” Maar dat wordt door de fami­lie meteen recht getrokken: „Ach, er gebeurt hier toch nooit iets”. Maar in die nacht is de lucht vol van het gedreun van de geallieerde vliegtuigen, die richting Duitsland overvliegen, om daar de steden te bombarderen. En in hel pikkedonker van de slaapkamer ligt Jan te woelen en te luisteren naar In i gedreun van de vliegtuigmotoren en er lijkt geen eind aan te komen, maar plotse­ling begint er een vliegtuig heel laag rond te cirkelen. „Nou, je zult begrijpen: Jan heeft het niet meer !!! “

’s Morgens hoort hij dat zijn zuster en haar man de hele nacht geslapen hebben en dus niets gehoord hebben van de overtrekkende bommenwerpers. „Toch maar eens poolshoogte nemen”, denkt Jan, „je weet maar nooit, misschien zijn  er vannacht wel  papieren  uitgeworpen.”  Dat was  namelijk al  vaker gebeurd. Als Jan en zijn zwager vanaf de polderdijk de omgeving overzien ziet hij iets opvallends op zo’n zeventig è tachtig meter van de dijk en daar wil hij het zijne van weten. „Ik moet eens poolshoogte nemen, maar als er Duitsers komen krab dan op je hoofd en zwaai maar met je pet, dan weet ik wat me te doen staat en kom als de wiedeweerga terug.”

Jan is wel verbaasd als hij daar aan de slootkant een parachute aantreft met een doos en nog wat pakjes. Voorzichtig snijdt hij het koord van de parachute door. stopt die onder zijn jas en loopt vervolgens terug naar de dijk. Het pak laat hij lig­gen, je weet immers nooit welk gevaar er in zo’n doos schuil gaat. Thuis, in de schuur, bekijken de mannen de parachute en Jan vindt dat hij toch ook de doos moet gaan halen, want in bezet gebied zullen de geallieerden toch geen gevaarlijke dingen uitgooien. Hij verwacht iets zwaars te vinden, maar de doos is zelfs heel licht. Hij holt terug en gaat met zijn vondst de schuur in. Voor­zichtig maakt hij de pakjes los die bij de doos zijn. Er is een pakje met erwten bij en in het andere pakje vindt hij veel papieren in verschillende talen. Vanuit de nog gesloten doos hoort Jan ineens……..het koeren van een duif. Dan dringt het tot hem door: „Dit is een geheime zender”, zegt hij tegen zijn zwager. De duif geven ze meteen te eten (erwten) en te drinken. De papieren worden heel aandacht Ig bekeken en ze vinden ook lijsten met allerlei vragen over de situatie van cle Duitsers, over de toestand hier ter plaatse enz., enz. Op twee dunne velletjes, die er bij zijn, kan met het potloodje alles opgeschreven worden en in twee heel kleine kokertjes kunnen de papiertjes meegenomen worden aan de ring van de duif.

De hele zondag is Jan verder bezig met het tekenen van de plattegrond van de kop van het eiland. Alle stellingen, bunkers, zwaar geschut, zoeklichten en afweer-geschut worden met nummers en betekenisaanduiding in kaart gebracht. Op de achterzijde wordt het „schijnvliegveld”, dat in de duinen lag, ingetekend, com­pleet met hangars met houten vliegtuigen en de „startbanen”, waar de graszoden afgestoken waren om op betonbanen te lijken. Ook de plaats van de elektrische startbaan (weer een vervalsing) wordt op de tekening aangegeven. Omdat Jan dwangarbeid voor de weermacht moet verrichten komt hij op veel plaatsen en kan nu dus ook veel inlichtingen verstrekken. Als Jan ’s zondagsavond weer naar huis gaat, belooft zijn zuster hem de volgende morgen de duif los te laten. Maar maandag is het zo mistig dat de vlucht uitgesteld moet worden. Gelukkig, dinsdag is het mooi weer. In het donker nog wordt de duif op het schuurtje gezet en zodra het zonnetje zich boven de buitendijk laat zien, schudt de duif z’n vleugels uit en vliegt dan laag over de grond in zuidwestelijke richting: koers Engeland. In de papieren is op verzoek van de afzender geen naam of plaats genoemd, maar wordt een code vermeld: GN 333 (GN = Goed Nederlander). Die dinsdagavond, als Jan luistert naar de verboden Engelse zender BBC, komt er aan het eind van de nieuwsberichten een extra mededeling: GN 333 is goed gezond. Wat is hij nu blij: „Het is gelukt, de duif heeft zijn werk goed gedaan!”

De volgende dag komt er een bevestiging van het bericht: Een Engelse jager, die heel laag over het schijnvliegtuig scheert, laat enkele houten „bommen” vallen, vliegt verder langs de duinen en draait daarna over zee terug richting Engeland. Met het invullen van de papieren wordt tegelijk een afspraak gemaakt over waar, hoe en wanneer er weer een dropping kan plaatsvinden. Als de oorlog voorbij is doet de BBC een radio-oproep aan die mensen die in de oorlog berichten hebben doorgegeven. Het bericht houdt in: Meldt u bij de BBC”. Aan die oproep geeft Jan gehoor en enkele maanden later bezorgt de post een brief van de Generale Staf. Korte inhoud: „Dank voor uw goede werk tijdens de oorlogsjaren!”

En nog is het verhaal niet afgelopen, want na een tijdje mag Jan het Certificate of Merit ontvangen, dat hij dan ook in dankbaarheid aanvaardt.

 Bron: Kom vanavond met verhalen…