Gedicht mevr. van Eck-Smeding

Het lied ‘Oorlogsherinneringen’ is in 1946 geschreven door mevr. G. van Eck-Smeding. Het werd voorgedragen tijdens één van de eerste voorstellingen van de zangvereniging ‘De Dageraad’ na de oorlog. Dit vond plaats in de ‘Ouwe School’ (het zogenaamde theater) te Oude-Tonge. Grietje en echtgenoot Thomas van Eck, die ook heeft meegewerkt aan de tekst van dit lied, zongen om-en-om een couplet en gezamenlijk het laatste. De wijs is er één op een bestaand lied, helaas is deze niet achterhaald en kunnen wij het ook niet meer navragen. Mevr. van Eck-Smeding overleed in 1990… Wij bedanken haar dochter T. van Eck hartelijk voor het delen van dit bijzondere lied

 

Oorlogsherinneringen

Hoort wat er is geschied
zes jaar geleên.
De moffen kwamen in ons land,
de rust verdween.
Onze jongens vochten fel.
De Grebbelinie, ’t leek een hel.
Maar na vijf daag’ harde strijd
was ons landje kwijt.

De oorlog was voor ons nu klaar
maar ’t bleef een tranendal want
Seisz- Inquart kwam aan de macht
’t werd Duitsland überal.
En Anton Mussert’s grootste daad
dat was Nederland’s verraad.
Heel zijn kliek was nu tevreê
en bralde luid “houzee, houzee”.

België, Frankrijk ’t ging eraan.
Als dat zo door zou gaan,
dan waren we in een korte tijd
allemaal Germaan.
De moffen schreeuwden moord en brand:
“Wir fahren gegen Engeland.”
Maar hoort naar juffrouw Klessebes,
daar kwam geen mens als Hess.

Hoe het verder ging
leert de geschiedenis.
Engeland bouwde een luchtvloot op
die was vast niet mis.
Zij kwamen nacht op nacht,
’t heeft heel wat angst gebracht.
’t Was niet alleen de mof
die men daardoor trof.

Nauwelijks lag je op je bed
of een zwaar geluid
kwam er in de verte aan:
wip, al weer eruit.
Duizend vliegers groot en klein.
’t Was het doel al naar Berlijn.
Doch ook menig vliegersvrouw
moest dan in de rouw.

De oorlog duurde steeds maar voort,
invasie werd verwacht.
Maar Duitsland dat zat ook niet stil,
heeft daar wat op bedacht.
Inundatie was het woord.
Wie had daar ooit van gehoord ?
Water kwam op veld en pad.
O,wat een plas was dat.

Ook Flakkee dat kreeg zijn deel
van die narigheid.
Evacueren moesten wij
naar wijd en zijd.
Ieder die moest henen gaan,
want in ’t water kon je niet staan.
En het stroomde door sluus en diek,
’t was slecht voor de rimmetiek.

Reeuwijk kregen wij ten deel.
’t Ging eerst wel goed.
Ras werden wij te veel en
wij verloren toen de moed.
We hadden ook een reuze strop,
ze stookten daar al onze kolen op.
En we zeiden toen weldra:
“Van je familie mot je ’t mar ha.”

En nog hield de mof maar vol,
hoog steeg de nood.
Vele mensen stierven er
aan de hongerdood.
Maar toen plots de 5e mei
juichte men “ons land is vrij”.
De oorlog was nu gedaan,
we konden naar huis toe gaan.

Maar weer te wonen in Oude-Tonge
dat viel heus niet mee.
De moffen hadden veel vernield,
we hadden zelfs geen plee.
“Ik zei tegen mijn vrouw, weet jij hoe ’t mot”.
“Ik zei tegen hem, we doen ’t maar op de pot.”
O, het was nog lang niet pluis,
maar we waren weer thuis !!

Potten, pannen, eetgerei
alles was weg.
Zelfs de kachel van de vloer,
o, wat een pech.
We hadden nog een ouwe peur (= potkacheltje)
zonder poten, zonder deur.
Toch was dit nog geen strop want
we kookten er ons eten op.

Eten hadden we toen zat,
witte brood met kaas.
Dikwijls paling in de pan
soms wel zo’n baas.
(Man) Ik des ’s nachts op pad met ’t net.
(Vrouw) Ik lag fijn alleen in ’t bed.
Zo kwam er een betere tijd
na al die narigheid.

“De Dageraad” werd opgericht.
Onze liedjes klinken weer.
Veel leden zijn al toegetreên,
maar wij verwachten er nog meer.
Schaart u aan onze zij en
vecht voor een be’tre maatschappij.
En zweer dan keer op keer:
NOOIT GEEN OORLOG MEER.

G. van Eck-Smeding