8 december 1884 – 29 maart 1945
Pieter Troost, geboren op 8 december 1884 te Ooltgensplaat, was gehuwd met Arendje van Dam en had acht kinderen — zes dochters, inmiddels getrouwd, en twee inwonende zoons. Zijn jongste dochter Jobje was getrouwd met Jan Kanters uit Oude-Tonge.
Op 17 juni 1944 vertrok het gezin-Troost, in het kader van de evacuatie van Ooltgensplaat, en met hen Jan en Jobje Kanters, naar de gemeente Dubbeldam, waar zij onderdak vonden op de boerderij van landbouwer A. van der Merwe.
Op 29 maart 1945 waren de zestigjarige Pieter Troost, zijn schoonzoon de vijfentwintigjarige Jan Kanters, landbouwer Van der Merwe en Troosts zeventienjarige zoon Leendert op zoek naar brandhout, toen zij op een Duitse patrouille stuitten. De drie mannen werden met ijzerdraad aan elkaar gebonden en moesten ruim anderhalf uur op de grond liggen; daarna werden zij door een nekschot in koelen bloede vermoord, terwijl de zeventienjarige Leendert — vanwege zijn jeugdige leeftijd gespaard — moest toezien.
Vermoedelijk werden Pieter en Jan al op 30 maart 1945 door Duitse militairen een eerste, voorlopige rustplaats gegeven. Pas op 18 juli 1945 werden de lichamen echter officieel gevonden bij het graven van een kabel nabij de Kop van ’t Land, tussen Dubbeldam en Dordrecht. Op 23 juli 1945 werden Pieter Troost en zijn schoonzoon Jan Kanters onder grote belangstelling in Ooltgensplaat herbegraven, na een rouwdienst.
Pieter Troost was van beroep landbouwer en lid van de Nederlands Hervormde gemeente. Net als zijn schoonzoon werd ook hij na de oorlog door het Ministerie van Justitie politiek betrouwbaar bevonden. Van zijn acht kinderen bleven onder anderen dochters L. de Bonte-Troost en J. Korteweg-Troost en zoon Leendert — de zeventienjarige getuige van de moord — in Ooltgensplaat wonen. Op het graf dat Pieter en Jan Kanters delen, plaatste de Oorlogsgravenstichting in oktober 1959 één gezamenlijke grafsteen met beide namen.