Jan Zandee

Jan Zandee

17 mei 1885 – 15 november 1944

Jan Zandee werd op 17 mei 1885 geboren in ‘s-Gravenpolder, als zoon van boerenarbeider Adriaan Zandee en Jacoba Duijnkerke. Hij werd wachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee en trouwde op 4 juli 1917 in Rotterdam met Johanna Verhage, geboren 5 april 1891 in Terneuzen. Het jonge gezin vestigde zich in Melissant, eerst aan de Nieuweweg 18 — waar op 10 april 1921 hun zoon Adriaan werd geboren — en later aan de Nieuweweg 19. Als enige veldwachter van het dorp was Jan een bekende verschijning: een vrouw die als kind in Melissant woonde, herinnerde zich nog hoe haar moeder haar tot opeten aanspoorde met de woorden “Pas op, alles opeten, anders haal ik agent Zandee!”

Op een gegeven moment tijdens de oorlog moest Jan, om onbekende redenen, bij de politie weg; noodgedwongen ging hij verder als colporteur van boeken. Op zolder van zijn huis lag nog een oud, onbruikbaar vuurwapen dat hij ooit als veldwachter in beslag had genomen. Tijdens zijn afwezigheid als boekverkoper werd het wapen ontdekt en bij de Duitse bezetter aangegeven. Op verdenking van verboden wapenbezit arresteerden de Duitsers hem op 29 februari 1944 (arrestantennummer 1750); op 8 maart 1944 werd hij naar kamp Amersfoort afgevoerd. Van zijn verblijf daar zijn geen registratiegegevens teruggevonden — wel is hij terug te vinden in de administratie van concentratiekamp Gross-Rosen, waar hij op 30 oktober 1944 aankwam en gevangenennummer 82685 kreeg. Als zogeheten ‘Nacht und Nebel’-gevangene golden voor hem en zijn lotgenoten de zwaarste omstandigheden.

Jan Zandee overleed op 15 november 1944 in Gross-Rosen aan de gevolgen van een phlegmone (etterige ontsteking) en bloedvergiftiging, verzwakt door zwakte van de hartspier. Van een graf is niets teruggevonden. Pas op 6 april 1946 kreeg zijn vrouw Johanna, die inmiddels in Terneuzen woonde, via het Informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis officieel bericht van zijn overlijden.

Concentratiekamp Gross-Rosen

Gross-Rosen, geopend op 2 augustus 1940 bij een steengroeve in Neder-Silezië (tegenwoordig Rogoźnica, Polen), groeide uit tot een netwerk van zo’n zestig buitenkampen. In totaal zaten er bijna 125.000 mensen gevangen; naar schatting 40.000 van hen kwamen om, vooral door de extreem zware dwangarbeid in de steengroeve — een gevangene hield het daar gemiddeld niet langer dan vijf weken vol. Vanaf 1942 fungeerde Gross-Rosen ook als ‘Nacht und Nebel’-kamp, waar politieke gevangenen — onder wie Nederlanders — spoorloos werden vastgehouden: hun familie kreeg vaak jarenlang geen enkel teken van leven. Het Rode Leger bevrijdde het kamp op 14 februari 1945.