Slachtoffers / Den Bommel / Anton Laurens Preuniger
Geboren
Anton Laurens Preuniger wordt geboren in Den Bommel, als zoon van J.J. Preuniger.
18 november 1918 – 1944 (vermist na de ontruiming van kamp Lublin)
Anton Laurens Preuniger, door familie en kameraden “Tom” genoemd, werd op 18 november 1918 geboren in Den Bommel, als zoon van J.J. Preuniger. Over zijn jeugd en de weg die hem naar Frankrijk bracht, is in de geraadpleegde bronnen niets teruggevonden; vast staat wel dat hij op enig moment tijdens de bezetting in Frankrijk verbleef, dicht bij de Zwitserse grens, waar hij werd gearresteerd.
Vanaf de grensstreek werd Tom via Belfort en Besançon overgebracht naar het Duitse doorgangskamp Royallieu bij Compiègne, en van daaruit op transport gezet naar concentratiekamp Buchenwald. Daar kwam hij eind juni 1943 aan en kreeg hij het gevangennummer 14532.
Vanuit Buchenwald werd hij tewerkgesteld in het Arbeitskommando Peenemünde/Karlshagen — een buitenkamp aan de Oostzeekust waar dwangarbeiders onder erbarmelijke omstandigheden werkten aan de Duitse V-wapenprogramma’s, administratief ressorterend onder concentratiekamp Ravensbrück. Op enig moment werd hij van daaruit teruggebracht naar Mittelbau-Dora, waar hij een nieuw gevangennummer kreeg: 22975.
In Dora werd Tom ziek. Volgens een medegevangene, de student Dick de Zeeuw uit Wageningen, die naast hem in het ziekenzaaltje van Blok 24 lag, had hij ongeveer een maand voor zijn vertrek een droge pleuritis, gevolgd door een vermoedelijke tuberculeuze longontsteking — zijn lichamelijke toestand werd op dat moment nog als “vrij goed” omschreven. Begin januari 1944 vertrokken er vanuit Dora twee zogeheten ziekentransporten: één naar Bergen-Belsen en één naar Lublin. Tom ging mee met het transport naar Lublin, samen met de Nederlander Brig Volkers uit Arnhem. Een andere getuige, G. Elzinga, herinnerde zich dat hij er “erg zwak” uitzag en net longontsteking achter de rug had; zijn gevangennummer lag toen “in de buurt van 22970” — in overeenstemming met het nummer dat hij in Dora had gekregen.
Wat er daarna met Tom Preuniger is gebeurd, is niet met zekerheid vast te stellen. Bij de ontruiming van kamp Lublin voor het oprukkende Rode Leger zou hij, volgens de destijds beschikbare informatie, vermoedelijk via Auschwitz zijn afgevoerd naar Gleiwitz, in augustus 1944. Daarna raakte ieder spoor van hem kwijt. Een getuige, C. Rood uit Amsterdam, verklaarde echter hem in augustus 1944 nog levend te hebben gezien in Gleiwitz. Deze twee gegevens laten zich niet met elkaar verzoenen, en ook de instanties die destijds over zijn dossier bogen, waren het onderling oneens: op de officiële “Eindconclusie” van het Ministerie van Sociale Zaken (23 mei 1949), die concludeerde dat Tom vermoedelijk in augustus 1944 in Lublin is omgekomen — gebaseerd op zijn slechte gezondheid en het ontbreken van een aanwijsbare reden om vrijwillig weg te blijven — schreef een behandelend ambtenaar met de pen een aantekening die de conclusie ronduit verwierp: “Mij heeft deze conclusie geen waarde!”, wijzend op de verklaring van Rood.
Ook een openbare oproep bracht geen uitsluitsel. Op vrijdagavond 13 augustus 1948 liet het Informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis via radio Hilversum II vragen wie Tom Preuniger in Buchenwald had gekend — meer dan drie jaar na de bevrijding was zijn lot nog altijd niet opgehelderd. Tot op de dag van vandaag is niet met zekerheid bekend waar en wanneer Anton Laurens Preuniger is omgekomen: ergens tussen januari en augustus 1944, hetzij in Lublin, hetzij op transport daarna. Hij werd niet ouder dan 25 jaar.
Wanneer jarenlang onderzoek geen uitsluitsel bracht, was de Nederlandse Missie tot Opsporing van Vermiste Personen — een naoorlogse dienst van het Ministerie van Sociale Zaken — uiteindelijk genoodzaakt om, op basis van waarschijnlijkheid, een formele datum en plaats van overlijden vast te stellen, ook wanneer harde bewijzen ontbraken. Zo’n “Eindconclusie” was vaak niet meer dan de best onderbouwde inschatting die de beschikbare stukken toelieten, maar moest een dossier wel afsluiten. In het dossier van Anton Preuniger geeft dit een zeldzaam kijkje achter de schermen: naast de getypte conclusie dat hij vermoedelijk in Lublin is omgekomen, staat met de pen een aantekening van een behandelend ambtenaar die het daar uitdrukkelijk niet mee eens is, wijzend op een getuigenverklaring die Tom nog maanden later in leven plaatst. Zulke aantekeningen tonen dat de mensen die deze dossiers destijds behandelden zich terdege bewust waren van de grenzen van hun eigen conclusies — en dat achter elke “vermoedelijke overlijdensdatum” een afweging schuilt tussen wat waarschijnlijk is en wat met zekerheid geweten kan worden.