Slachtoffers / Achthuizen / Johannes Wilhelmus de Boet
Geboren
Johannes Wilhelmus de Boet wordt geboren in Achthuizen, als zoon van landarbeider Wilhelmus de Boet en Jacoba van der Heiden.
1 september 1924 – 1 december 1943
Johannes Wilhelmus de Boet werd op 1 september 1924 geboren in Achthuizen, als zoon van landarbeider Wilhelmus de Boet (geboren 25 april 1894 te Oude-Tonge) en Jacoba van der Heiden (geboren 23 januari 1895 te Den Bommel), die op 25 april 1919 in Den Bommel waren getrouwd. Het gezin woonde aan de Stoof 16; net als zijn vader werkte Johannes als landarbeider.
Op 21 juni 1943 werd Johannes, negentien jaar oud, onder dienstverplichting naar Duitsland gestuurd. Dit gebeurde niet na een arrestatie of razzia, maar in het kader van de zogeheten “jaarklasse-actie”: een dwangmaatregel waarmee de Duitse bezetter complete geboortejaargangen jonge Nederlandse mannen liet oproepen voor de Arbeitseinsatz, de gedwongen tewerkstelling in Duitse fabrieken. Johannes kwam terecht in Kassel, waar hij ging werken bij de Firma Henschel & Sohn — een van de grootste Duitse industriële concerns, dat tijdens de oorlog onder meer locomotieven en pantservoertuigen produceerde — en werd ondergebracht in het werkkamp Lager Möncheberg (Zimmerhausestraße, Lager 12, Stube 24).
In het najaar van 1943 werd Kassel zwaar getroffen door geallieerde bombardementen. Op 3 oktober 1943 werd het Hollandse lager op de München Berg, waar ook Johannes ondergebracht was, door brandbommen volledig in de as gelegd; de mannen redden zich door dekking te zoeken in loopgraven, maar werden daarna noodgedwongen in legertenten op een naburige bergweide gehuisvest. In een brief aan zijn ouders, geschreven op 17 november 1943 — voor zover bekend zijn laatste — meldde Johannes dat hij “het tweede bombardement van Kassel” goed had doorstaan, maar dat hij inmiddels noodgedwongen in tenten sliep omdat er geen andere onderkomens meer waren, met maar één deken tegen de kou en de sneeuw. In diezelfde brief schreef hij ook dat hij kort daarvoor in het ziekenhuis had gelegen met difterie, en dat hij daar blijvende schade aan zijn ogen aan had overgehouden — “ik heb geen beste ogen meer”, schreef hij, er nuchter aan toevoegend dat hij daardoor in elk geval niet meer hoefde te werken. Hij klaagde over de luizen waar zijn kampgenoten onder zaten en sprak de hoop uit gauw met verlof naar huis te mogen.
Na 17 november 1943 kwam er geen bericht meer van Johannes. Toen zijn ouders na enkele weken nog steeds niets van hem hadden gehoord en geruchten hoorden dat hij ziek was geworden, overleden, of anderszins iets was overkomen, klopte zijn vader aan bij de Duitse Fachwerber van het Arbeidsbureau in Dordrecht, die op 18 januari 1944 een dringend verzoek om opheldering naar het Arbeitsamt in Kassel stuurde: de ouders waren, in de woorden van de brief, “sehr in Unruhe gekommen” en wilden een definitief antwoord. Het antwoord, dat op 4 februari 1944 terugkwam, bevestigde het ergste: Johannes was op 1 december 1943 in het Henschelkrankenhaus overleden aan difterie met hartzwakte — een rechtstreeks gevolg van de ziekte waarvan hij in zijn laatste brief nog dacht te zijn hersteld. Hij werd op 6 december 1943 begraven in Kassel-Bettenhausen, waar destijds veel in Duitsland omgekomen buitenlandse arbeiders werden bijgezet.
Zijn overlijden werd pas op 11 april 1946 formeel vastgelegd in een Duitse Sterbeurkunde van het Standesamt Kassel, en op 14 oktober 1946 overgeschreven in het Nederlandse bevolkingsregister van de gemeente Ooltgensplaat, waar Achthuizen destijds bestuurlijk onder viel. Na de oorlog is Johannes herbegraven op het Nederlands Ereveld in Frankfurt am Main, Waldfriedhof Oberrad, waar de Nederlandse oorlogsslachtoffers uit de regio Kassel een blijvende, gezamenlijke laatste rustplaats kregen.
De “jaarklasse-actie” en de Arbeitseinsatz
Vanaf 1942 voerde de Duitse bezetter in Nederland een steeds strenger stelsel van gedwongen tewerkstelling in, de zogeheten Arbeitseinsatz: honderdduizenden Nederlandse mannen werden naar Duitsland gestuurd om daar te werken in fabrieken, mijnen en op het spoor — vaak ter vervanging van Duitse arbeiders die zelf naar het front waren gestuurd. Vanaf 1943 gebeurde dit steeds vaker via de “jaarklasse-actie”: in plaats van individuele oproepen werden complete geboortejaargangen jonge mannen tegelijk verplicht zich te melden. Johannes de Boet, negentien jaar oud, werd op deze manier op 21 juni 1943 weggevoerd. De omstandigheden in de Duitse werkkampen waren zwaar: gebrekkige huisvesting, honger, ziekte en, vanaf 1943 in toenemende mate, de geallieerde bombardementen op de Duitse industriesteden waar de kampen vaak vlakbij lagen.