Familie de Winter
‘Een wat oudere man, met altijd een grap en een aardig woord voor iedereen’. Zo herinnert men zich Levie de Winter. Echt oud was hij niet: Levie werd op 43-jarige leeftijd vermoord in Auschwitz.
In het gezin van handelaar De Winter uit Oude-Tonge wordt in 1904 Mozes geboren, het twaalfde en laatste kind. Twee kinderen zijn al jong overleden. Van de overige tien overleeft slechts één dochter, Hendrika Schippers–de Winter, de oorlog, vanwege haar huwelijk met een christelijke man.
Zoon Levie neemt na het overlijden van zijn vader diens handel over. Samen met zijn veertien jaar oudere zus Sara woont hij in het ouderlijke huis aan de Molendijk. Zijn andere broers en zussen zijn uitgevlogen: zijn oudste zus Grietje naar Middelharnis, de anderen bijna allemaal naar Rotterdam; daar was immers werk te krijgen. Levie is de lorrenboer van Oude-Tonge. Met zijn kar loopt hij door het dorp om lompen en vodden op te halen, die hij in het pakhuis aan de Molendijk opslaat en doorverkoopt. Hij roept steeds: ‘Lorren en benen, lorren en benen’ want ook botten koopt hij op. Daarnaast heeft hij ook andere handeltjes, zoals het organiseren van een dobbelspelletje en het verkopen van lolly’s tijdens de jaarlijkse kermis. Levies zaak is niet geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. ‘Het was centenwerk’, zo herinnert zich een plaatsgenoot, ‘maar ze konden ervan leven en waren er mee tevreden.’ Alles gaat met een grap en een lach; hij is daardoor een graag geziene dorpsgenoot. In zijn vrije tijd is Levie actief bij de muziekvereniging ‘Vooruit’. Welk instrument hij er bespeelt, is niet bekend.
Zijn oudere zus Sara verzorgt het huishouden. Daarbij heeft ze veel steun aan haar overbuurvrouw én vriendin Anna Hartman. Zoveel als Levie zichtbaar is in het dorp, zo weinig is Saar dat. Dat komt omdat ze moeilijk loopt, vanwege een aandoening aan haar heupen. Van haar is dan ook geen foto bewaard gebleven.
















