‘Op zaterdag moest ik altijd het petroleumstel uitdoen, dat mocht ze niet zelf. En ze had een groot schort aan, dat moest ik vaak los maken omdat ze er zelf niet meer bij kon’, zo herinnert zich toenmalig buurmeisje Fien van Peer. ‘‘Fientje, Fientje, doe m’n schort eens los’, riep ze dan. ‘Als je het weer doet, dan krijg je wat.’ Maar ik kreeg nooit wat, dus toen ik een jaar of acht, negen was, zei ik tegen m’n moeder: ‘ik doe het gewoon niet meer.’ Maar dat vond mijn moeder niet goed, ik moest van haar niet helpen om iets te krijgen, maar omdat helpen hoort.’
Fien van Peer woont al meer dan negentig jaar in hetzelfde huis. Tijdens de oorlog woont Cato Cohensius tegenover haar. Dat huis is inmiddels afgebroken. Fien: ‘Ik heug me die dag in de oorlog nog goed dat vader ons riep. ‘Kom allemaal naar voren, want ze zijn Cato aan het ophalen,’ zei hij. Er stond een soldaat met een geweer aan zijn schouder voor onze deur, zodat we niet naar buiten konden komen. En toen reed Cato voorbij in een auto, toen zei m’n vader: ‘we zien haar nooit meer terug.’
Wanneer deze wegvoering plaatsvond, is niet bekend. Er is van Cato Cohensius namelijk geen Joodse Raadpersoonskaart bewaard gebleven. Volgens bericht in het Eilanden-Nieuws, 14 februari 1986, is zij in de zomer van 1942 weggevoerd. Er was echter in Oude-Tonge ook nog een Jood aanwezig bij het tweede transport van het eiland, op 4 november 1942. De gemeente Middelharnis declareert dan namelijk ook bij Oude-Tonge de vervoerskosten – fl. 11.25 – voor dit transport. Van alle andere Joden uit Oude-Tonge weten we dat zij dan al weggevoerd zijn, dus het meest waarschijnlijk is toch dat het Cato Cohensius is geweest die dan per tram met andere eilandbewoners naar de overkant is getransporteerd.
Cato’s woning is het eerste Joodse pand dat op Goeree-Overflakkee aan een oorlogskoper, een NSB’er uit het eigen dorp, verkocht wordt, in januari 1943. De Nederlandse regering in Londen waarschuwt dan al dat deze aankopen niet rechtsgeldig zijn en na de oorlog zullen worden teruggedraaid. Waar Cato op dat moment precies verblijft weten we niet. Op 16 februari wordt ze vanuit Westerbork getransporteerd naar Auschwitz. Daar wordt ze direct na aankomst vermoord.