Familie Cohensius

Aan de Molendijk in Oude Tonge woonden twee Joodse families, familie De Winter en familie Cohensius. Zo groot als de familie De Winter was, zo klein was de familie Cohensius. Wanneer de oorlog uitbreekt, woont alleen Cato nog in het winkeltje/woonhuis aan de Molendijk dat ze tot kort daarvoor heeft gedreven. Cato is de zeventig al gepasseerd wanneer de oorlog uitbreekt. Haar oudere zus Leentje is al tien jaarervoor overleden, haar enige broer Salomon overlijdt in 1941. Hij was al in 1923 met zijn vrouw en hun enige kind, zoon Isaäc, naar Nijkerk verhuisd.

Cato is ziekelijk. Ze heeft diabetes, waarvoor ze dagelijks spuiten krijgt. Door een buurvrouw wordt ze geholpen met het aankleden en het ontbijt. Ook buurkinderen vroeg ze regelmatig om hulp.

‘Op zaterdag moest ik altijd het petroleumstel uitdoen, dat mocht ze niet zelf. En ze had een groot schort aan, dat moest ik vaak los maken omdat ze er zelf niet  meer bij kon’, zo herinnert zich toenmalig buurmeisje Fien van Peer. ‘‘Fientje, Fientje, doe m’n schort eens los’, riep ze dan. ‘Als je het weer doet, dan krijg je wat.’ Maar ik kreeg nooit wat, dus toen ik een jaar of acht, negen was, zei ik tegen m’n moeder: ‘ik doe het gewoon niet meer.’ Maar dat vond mijn moeder niet goed, ik moest van haar niet helpen om iets te krijgen, maar omdat helpen hoort.’

Fien van Peer woont al meer dan negentig jaar in hetzelfde huis. Tijdens de oorlog woont Cato Cohensius tegenover haar. Dat huis is inmiddels afgebroken. Fien: ‘Ik heug me die dag in de oorlog nog goed dat vader ons riep. ‘Kom allemaal naar voren, want ze zijn Cato aan het ophalen,’ zei hij. Er stond een soldaat met een geweer aan zijn schouder voor onze deur, zodat we niet naar buiten konden komen. En toen reed Cato voorbij in een auto, toen zei m’n vader: ‘we zien haar nooit meer terug.’

Wanneer deze wegvoering plaatsvond, is niet bekend. Er is van Cato Cohensius namelijk geen Joodse Raadpersoonskaart bewaard gebleven. Volgens bericht in het Eilanden-Nieuws, 14 februari 1986, is zij in de zomer van 1942 weggevoerd. Er was echter in Oude-Tonge ook nog een Jood aanwezig bij het tweede transport van het eiland, op 4 november 1942. De gemeente Middelharnis declareert dan namelijk ook bij Oude-Tonge de vervoerskosten – fl. 11.25 – voor dit transport. Van alle andere Joden uit Oude-Tonge weten we dat zij dan al weggevoerd zijn, dus het meest waarschijnlijk is toch dat het Cato Cohensius is geweest die dan per tram met andere eilandbewoners naar de overkant is getransporteerd.

Cato’s woning is het eerste Joodse pand dat op Goeree-Overflakkee aan een oorlogskoper, een NSB’er uit het eigen dorp, verkocht wordt, in januari 1943. De Nederlandse regering in Londen waarschuwt dan al dat deze aankopen niet rechtsgeldig zijn en na de oorlog zullen worden teruggedraaid. Waar Cato op dat moment precies verblijft weten we niet. Op 16 februari wordt ze vanuit Westerbork getransporteerd naar Auschwitz. Daar wordt ze direct na aankomst vermoord.

Leentje (links) en Cato (rechts) Cohensius

Kampdokter

Haar neefje Isaäc, zoon van broer Salomon, moet op 20 augustus zijn artsenexamen afleggen. Echter, juist op die dag moet hij op transport. Isaac krijgt van de kampcommandant een verlof van acht dagen, waardoor hij alsnog op 28 augustus 1942 zijn eed als arts kan afleggen. Tijd om praktijkervaring op te doen is hem niet meer gegund; al op 31 augustus moeten hij en zijn kersverse bruid Ester op transport. Isaäc wordt in Cosel uit de trein gehaald, Ester gaat door naar Auschwitz. Daar wordt ze direct vermoord, na een huwelijk van vijf weken. Isaac krijgt een aanstelling als kamparts. Medicijnen, bedden en andere hulpmiddelen heeft hij amper. Zijn patiënten verrichten zware fysieke arbeid onder barre omstandigheden. Het leidt tot onmogelijke dilemma’s die zwaar op zijn jonge schouders wegen. Kort na de oorlog schrijft Isaac een verslag van zijn ervaringen. Doordat het nog zo vers in zijn geheugen ligt is het een uniek verslag, gedetailleerd, rauw en aangrijpend.

“Als eens twee jongens van de nieuw aangekomenen gemeld worden wegens slecht werken, zeggen ze dat ze niet werken konden, omdat ze ziek zijn. Bij het appel wordt mij gevraagd: ‘Is dieser krank?’ Ik antwoord grif: ‘Jawohl!’ Hij krijgt geen straf. Van de tweede zeg ik: ‘Den kenne ich nicht!’ Ik kende ze beiden niet. Sommigen begrijpen dat ik niet van beiden zeggen kon, dat ze ziek zijn, wil ik het niet voor alle volgende gelegenheden bederven. Waarom wil of kan men mij toch nooit begrijpen? Is het dan zo moeilijk zich in mijn positie te verplaatsen, zo moeilijk aan te nemen dat ik hem enkel en alleen laat leiden door het algemeen belang, zonder meer aan mijzelf te denken dan het normale menselijke streven mijn leven niet nodeloos te offeren? Wat bereik ik ermee? Dat de geredde me zegent, de tweede me vloekt, dat neutraliseert elkaar nauwkeurig. Had ik dus überhaupt niets gezegd, dan was ik precies zo ver in de sympathie.”

Isaäcs vrouw en tante zijn vermoord; in Nederland wacht geen enkel familielid op hem. Hij emigreert naar Israël en zijn oorlogservaringen raken naar de achtergrond. Zijn kinderen kunnen geen Nederlands lezen. De Nederlandse Daniël Bos raakt in contact met de familie en vertaalt de aantekeningen naar het Engels en voorziet ze van een toelichtende inleiding. Zo verschijnt het verslag van Isaac in 2024 als boek onder de titel ‘Kampdokter’.

VoorkantAchterkant

Van iedere Joodse inwoner van Nederland werden gegevens bijgehouden. Naam en woonplaats staan boven de streep. Daaronder staan het adres en de geboortedatum en eventuele verdere gegevens. Met een stempel werd vermeld op welke datum men aankwam in doorgangskamp Westerbork (afgekort als w’bk). Met potlood is schuin over deze gegevens de datum geschreven waarop men vanaf Westerbork op transport (trsp) ging naar de vernietigingskampen. Op de achterzijde stond vaak een contactpersoon vermeld die de Joden bij aankomst in Westerbork opgaven.

Van Cato Cohensius is deze niet bewaard gebleven.