Familie Haas-Franken

Een weduwe die geen mens kwaad doet, vriendschappelijk contact onderhoudt met haar buren en niet religieus Joods is: toch mag ze er niet zijn.

Anna Haas-Franken woont tijdens haar huwelijk in Hellevoetsluis, waar haar man een meubelzaak heeft. Na het overlijden van haar man in 1919 verhuist ze naar Rotterdam, waar haar enige kind Sophia Belia ook woont. Anna is een begaafd pianiste. De liefde voor muziek geeft ze door aan haar dochter: Sophia is concertzangeres. Vanaf 1932 gaat Anna jaarlijks op vakantie naar Ouddorp, met haar dochter en haar gezin. De zeelucht doet haar jongste kleindochter, die wat astmatisch is, goed. Het zomerse Ouddorp bevalt de familie zo goed, dat Anna in 1938 een zomerhuis koopt dichtbij het strand,  ‘Sonnevanck’ geheten. Anna is goed op de hoogte van de gevaarlijke ontwikkelingen in buurland Duitsland, omdat ze in de muziekwereld veel Duits-Joodse vluchtelingen ontmoet. Van één van hen koopt ze een prachtige pentekening van componist Felix Mendelssohn.

Wanneer de oorlog uitbreekt, geeft de Ouddorpse huisarts Anna al snel het advies haar woning in Ouddorp te betrekken. Waarom hij dat doet, is niet meer te achterhalen: omdat hij het veiliger vond voor haar, of omdat hij bang was dat de woning in verkeerde handen zou vallen?

Registratie

In 1941 moet ook Anna zich laten registeren, ook al is ze niet religieus joods. De nazi’s hanteren een bijzondere definitie van wie Joods is en wie niet. In november 1940 wordt deze definitie als volgt opgesteld:

– Jood is een ieder, die uit ten minste drie naar ras voljoodse grootouders stamt;

– Als Jood wordt ook aangemerkt hij die uit twee voljoodse grootouders stamt en

          * hetzij zelf op de negende mei 1940 tot de joods-kerkelijke gemeente heeft behoord of na die datum daarin wordt opgenomen;

          *  hetzij op de negende mei 1940 met een Jood was gehuwd of na dat ogenblik met een Jood in het huwelijk treedt.

– Een grootouder wordt als voljoods aangemerkt, wanneer deze tot de joods-kerkelijke gemeenschap heeft behoord.

Anna vult bij haar registratie in dat ze geen kerkelijke gezindheid heeft. Haar grootouders waren echter allen wel religieus Joods en dus wordt ook Anna als ‘voljood’ geregistreerd. Anna komt  – via de Hollandse Schouwburg in Amsterdam – in oktober 1942 in Westerbork aan. Daar verblijft ze maar kort. Op 23 oktober wordt ze in een trein naar Auschwitz gedeporteerd, waar ze direct na aankomst vermoord wordt. Haar dochter staat geregistreerd als ‘gemengd gehuwd’, omdat ze met een protestantse man getrouwd is. In de loop van de oorlog duikt zij toch veiligheidshalve met haar twee dochters onder, in Rotterdam. Het gezin overleeft de oorlog. Anna’s woning wordt tijdens de oorlog gekocht door een plaatselijke antisemiet, die het pand na de oorlog slechts na veel bezwaren weer afstaat aan de nazaten van Anna. Sonnevanck is na de oorlog altijd eigendom van de familie gebleven. De piano en de muziekboeken van Anna, evenals het portret van Mendelssohn, zijn er nog steeds te vinden.

Anna was niet aangesloten bij de Joodse gemeente te Middelharnis. Wanneer nazaten van families uit deze gemeente in 1957 op de Joodse begraafplaats te Middelharnis een monument met namen onthullen, ontbreekt dan ook haar naam. In 2000 wordt er een steen met haar naam bij het oorlogsmonument in Ouddorp geplaatst. Voor Sonnevanck wordt in 2014, in bijzijn van haar beide kleindochters, de eerste Stolperstein van Goeree-Overflakkee gelegd. Tachtig jaar na het einde van de oorlog opent Anna’s oudste kleindochter de expositie ‘Een verdwenen gemeenschap’ in het Streekmuseum Goeree-Overflakkee, een expositie over Joods Goeree-Overflakkee, door het aansteken van de zeven kaarsen van een menora. Ondanks haar bijzondere positie als niet-religieuze enige Joodse inwoner van Ouddorp, is de herinnering aan Anna ook tachtig jaar na dato nog levend.

Dilemma: onderduiken of niet

Er zijn twee verhalen bekend waarbij Anna zou zijn aangeraden om onder te duiken. Haar buren zouden hebben aangeboden haar als huishoudster op te nemen, toen de verhalen over de wegvoering van de Joodse gemeenschap uit Middelharnis en Sommelsdijk bekend werden. Dat het gevaarlijk was om Joods te zijn, realiseerde Anna zich toen al terdege. Ze wilde echter haar buren niet in gevaar brengen – want onderduiken was ook heel gevaarlijk voor hen die onderdak verleenden. Datzelfde besloot ze toen politieagent van der Ster haar wegbracht van Ouddorp naar Amsterdam. Ook hij biedt aan haar te laten ontvluchten en dan zelf onder te duiken. Later in de oorlog zou hij inderdaad onderduiken – maar tijdens die reis, in oktober 1942, vond Anna het risico voor hem en zijn familie nog te groot en wilde ze het aanbod niet aanpakken. Binnen de Joodse gemeenschap was er een fel debat over wel of niet onderduiken – waarbij het zeker tot eind 1942 voor de meesten veiliger leek om mee te werken aan alle anti-Joodse maatregelen, omdat de risico’s van onderduiken – als men al een plaats kon vinden en zich de vaak kostbare onderduik kon veroorloven – groter leken dan die van de werkkampen.

Van iedere Joodse inwoner van Nederland werden gegevens bijgehouden. Naam en woonplaats staan boven de streep. Daaronder staan het adres en de geboortedatum en evtentuele verdere gegevens. Met een stempel werd vermeld op welke datum men aankwam in doorgangskamp Westerbork (afgekort als w’bk). Met potlood is schuin over deze gegevens de datum geschreven waarop men vanaf Westerbork op transport (trsp) ging naar de vernietingskampen. Op de achterzijde stond vaak een contactpersoon vermeld die de Joden bij aankomst in Westerbork opgaven.