Familie Gazan

Salomon Gazan is het oudste Joodse slachtoffer van Goeree-Overflakkee. Hij was ruim 91 jaar oud toen hij in Sobibor vermoord werd. Voor de oorlog genoot hij met zijn vrouw Sebilla Gazan-Levi al geruime tijd van verdiend pensioen. De slagerij die hij sinds het overlijden van zijn vader in 1887 dreef, had hij in … aan zijn zoons Anthonie Salomon(Anton) en Izaäk Salomon (Izaäk) de zaak overgedragen.

Salomon en Sebilla hadden samen tien kinderen gekregen. Daarvan was er één jong gestorven. In 1923 overleed een zoon, in 1937 een dochter. Slechts drie kinderen waren getrouwd: Hartog, Margaretha en Philip. De Gazans hadden slechts vier kleinkinderen.  Anton (geb. 1886) en Izaak (geb. 1892) woonden bij hun ouders in, evenals hun jongste zus Roosje (geb. 1902).

‘Wij woonden naast de familie Gazan, direct ernaast. Oude meneer Gazan noemde ik opa, en mevrouw opoe. Ze werkten niet meer, want ze waren hoogbejaard. Er woonden nog drie kinderen thuis, een dochter en twee zoons. Die zoons werkten in de slagerij. Tante Roos was de enige dochter die thuis was. Ik was nogal aan haar gehecht. Ze was even oud als mijn moeder en het waren hartsvriendinnen. Vrijdagsmiddags ging mijn moeder met tante Roos bij Jacobi koffie en thee drinken, voor de sabbat. Tante Roos mankeerde medisch wel het een en ander. Wat precies weet ik niet, daar praatte je vroeger niet over.’

Koosjer

In Sommelsdijk waren voor de oorlog maar liefst zeven slagerijen, ieder met een vaste klantenkring. David Hoogzand herinnert zich: ‘Wij waren geen klant bij Hammelburg, maar kochten altijd bij Gazan. Ik was thuis toen zo’n beetje de boodschappenjongen, rond een jaar of 10, 12. Dus ik moest daar dan het vlees gaan ophalen. De oude Gazan stond dan op zaterdagavond, als de winkel na de sjabbat weer openging, achter zijn gordijn te kijken wie er kwam, een beetje verstopt – maar ik keek ook steeds, want in de slagerij was het steeds zo druk, dat ik er lang stond.’ Iedere slagerij had zijn eigen specialiteit. Van Splunter: ‘Naast ons aan de andere kant woonde Koningswoud, ook een slager. Koningswoud had met Gazan afgesproken dat hij geen rundvlees zou verkopen, en Gazan geen varkensvlees. Dus klanten gingen eerst bij Gazan rundvlees halen en daarna liepen ze naar koningswoud. Ze konden er allebei van bestaan.’

Toen Salomon de zaak overnam, verkocht hij nog varkensvlees. Dat was volgens het Joods geloof niet toegestaan en dus was de zaak niet koosjer. In de loop van de tijd is dat veranderd en gingen zij over op alleen rundvleesverkoop. Om koosjer te slachten, moest dit door een zgn. sjocheet gebeuren, met speciale messen. Rebbe David slager kwam hiervoor naar de slachtplaats van de Gazans.

‘Wij woonden naast de familie Gazan, direct ernaast. Oude meneer Gazan noemde ik opa, en mevrouw opoe. Ze werkten niet meer, want ze waren hoogbejaard. Er woonden nog drie kinderen thuis, een dochter en twee zoons. Die zoons werkten in de slagerij. Tante Roos was de enige dochter die thuis was. Ik was nogal aan haar gehecht. Ze was even oud als mijn moeder en het waren hartsvriendinnen. Vrijdagsmiddags ging mijn moeder met tante Roos bij Jacobi koffie en thee drinken, voor de sabbat. Tante Roos mankeerde medisch wel het een en ander. Wat precies weet ik niet, daar praatte je vroeger niet over.’

Orthodox

De Gazans waren orthodox Joods. ‘De nog zeer krasse oude lieden staan om hun godsdienstzin, werkzaamheid en eenvoudigheid bij alle kringen hoog aangeschreven’ zo was te lezen in een krantenbericht uit 1935 vanwege hun 50-jarig huwelijksjubileum. Buurvrouw van Splunter stak voor het gezin op vrijdagavond de lamp aan, omdat het Joden verboden was op sabbat deze handeling te verrichten. Buurjongen Joop schoof tijdens de sabbatsmaaltijd vaak bij zijn buren aan: ‘Dan kreeg je eten, dat had je thuis niet, zo lekker! Er werd heel veel gezongen, onder het eten, echte sabbatmaaltijd. Er was altijd een lege stoel. Die was voor de Messias, als hij zou komen moest er een stoel zijn. Met de sabbat ging de winkel op slot, maar ingang naar woonhuis bleef open – ik vroeg dat weleens, waarom die deur niet op slot ging: stel je voord at de Messias kwam, dan mocht de deur niet op slot zitten.Ze gingen dan ook naar de synagoge. Daar ben ik ook een paar keer geweest. Ik herinner me ook het Loofhuttenfeest. Achter onze huizen was de Kaai, en daar was ook een diekje. Daar bouwden ze dan een hut een bivakkeerden ze een tijdje. Ook de oude Gazan.’

Salomon Gazan

Sebilla Gazan-Levi

Oorlog

De oorlogsmaatregelen treffen ook de Gazans. Dochter Cato is al vanaf 1914 verpleegster in het Apeldoornsche Bosch. Die instelling is in 1909 geopend voor Joodse psychiatrische patiënten. In januari 1941 besluit ze om haar baan op te zeggen vanwege de oorlogsomstandigheden en trekt ze weer bij haar ouders, broers en zusje in.  In de loop van dat jaar moeten Anton en Izaäk de slagerij sluiten en worden hen steeds meer anti-Joodse maatregelen opgelegd.

Anton was altijd erg betrokken op de Joodse gemeente en had diverse keren de voorzanger vervangen. Bij recente verbouwingen van het pand van de Gazans kwam er een briefje achter een zolderbalk tevoorschijn: uit 1911, met Hebreeuwse tekst. Dat is waarschijnlijk van Anton geweest. Op 8 augustus 1942 overlijdt Anton plotseling, op 55-jarige leeftijd. Hij wordt hoogstwaarschijnlijk nog wel begraven op de Joodse begraafplaats in Middelharnis, maar een steen komt er niet meer; aar kreeg zijn familie de tijd niet meer voor. Tot voor kort werd Anton daarom nergens herdacht: niet op het oorlogsmonument, niet op een Stolperstein, niet op het Namenmonument in Amsterdam. Dankzij een succesvolle crowdfundactie ligt er sinds 3 november 2025 een steentje voor Anton op de Joodse begraafplaats in Middelharnis. Een verslag van de herdenkingsceremonie rond de steenlegging is hier te vinden.

Sobibor

Haar ouders en zusje Roosje zijn niet in staat om met dit transport mee te gaan en worden daarom in het ziekenhuis te Dirksland opgenomen. Sebilla en Roosje worden daarvandaan op 16 december naar het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht te Amsterdam gebracht. Salomon volgt op 20 januari 1943. Buurvrouw de Kok gaat daar in maart bij hen op bezoek, zo vertelt ze jaren later voor een artikel in het EilandenNieuws. Salomon ontmoet ze daar niet meer: hij is juist die morgen uit het ziekenhuis opgehaald en weggevoerd naar Westerbork. Hij moet mee met het derde transport naar Sobibor. De eerste twee transporten waren nog in een goederenwagon; de 91-jarige Salomon moet met 963 anderen in een veewagon. Er overleeft slechts een persoon. Als Salomon al niet onderweg is overleden, wordt hij direct na aankomst vermoord.

Izaäk

De vijf overgebleven Gazannan zouden allemaal met een verschillend transport gedeporteerd en vermoord worden. Met het eerste transport van het eiland, slechts zes dagen na het overlijden van Anton op 14 augustus 1942, wordt Izaäk opgeroepen. Buurvrouw De Kok, die aan de andere kant van de Gazans woonde, brengt hem naar de tram: ‘De oude Salomon Gazan en ik zouden Izaäk naar het tramstation in Middelharnis brengen. Maar halverwege bij café Huismans aan de Langeweg kon de bijna 91-jarige vader niet verder meer. Er werd een stoel aangereikt waarop de oude man kon plaatsnemen. Zuchten van vermoeienis en hevig geëmotioneerd balde hij zijn vuisten ten hemel en vervloekte al wat Duits was. ‘Ga jij nu maar alleen verder, Izaäk’, zei ik, ‘dan breng ik je vader wel terug naar huis’.’ Izaak komt op 15 augustus in Westerbork aan en moet twee dagen later al naar Auschwitz. Daar overlijdt hij uiterlijk 30 september 1942.

Cato is de volgende die wordt opgeroepen. Vermoedelijk moet zij met het tweede grote transport van het eiland mee op 3 november; net als de andere Flakkeese Joden van dit transport arriveert ze namelijk op 7 november in Westerbork. Daarvandaan moet ze op de trein op 10 november en wordt ze direct na aankomst vergast.

Het tramstation van Middelharnis

Leegruiming van het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis

Sebilla en Roosje blijven nog tot augustus in het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis. Op 13 augustus wordt het ziekenhuis ontruimd en worden ook zij naar Westerbork gebracht. Daar verblijven ze nog tien dagen. Op 24 augustus 1943 moeten ook zij op transport, naar Auschwitz. Daar vinden zij beiden direct na aankomst op 27 augustus 1943 de dood. Van de hele familie Gazan zou alleen schoondochter Eva Gazan-Meuleman uit Dirksland de oorlog overleven.

Einde van de zaak

De Sommelsdijkse burgemeester had intussen de sleutel van het pand van Gazan, die zijzelf aan buurman Van Splunter hadden toevertrouwd, in bewaring. Per mei 1943 wist de felle antisemitische fotograaf Rotsma uit Middelharnis deze in handen te krijgen. Hij hield ‘m in beheer totdat het pand verkocht werd. Rotsma probeerde om flink winst te slaan uit de inventaris van de slagerij, onder andere door de ingebouwde koelkast te verkopen. Geen enkele slager op Goeree-Overflakkee heeft echter belangstelling. Rotsma schrijft daarom eind 1943 aan de instantie die belast is met de verkoop van dit Joodse bedrijfspand:

Uiteindelijk wordt in april 1944 een Rotterdamse firma bereid gevonden om de inventaris op te halen en naar de veiling te vervoeren. Daar brengt de inventaris in plaats van de getaxeerde fl.500,-, slechts fl. 32,80 op. Dat is nog te weinig om alleen de transportkosten te voldoen. Uiteindelijk wordt de onderneming in 1943 definitief geliquideerd. Dat lot trof alle kleine Joodse bedrijven.

Beroofd

De Gazans hebben door hun schoonzoon Levi ook nog ruim duizend gulden aan contanten laten onderbrengen bij kennissen in het dorp. Daarvan weten echter meer mensen – en een van hen maakt daar grof misbruik van. Gedurende 1942 en 1943 klopt hij steeds aan bij deze kennissen om in naam van de Gazans geld op te vragen om hun zogenaamde onderduik te bekostigen. Pas na de oorlog komt dit bedrog uit.

Het pakhuis en de woning en winkel van de Gazans worden in de loop van 1944 verkocht. Het duurt tot 1957 voordat de erfgenamen van de Gazans de hun toekomende vergoeding hiervoor krijgen. Dat heeft niets te maken met onwil van de oorlogskopers, maar met de ingewikkelde verervingsregels, die de Nederlandse Staat niet wil aanpassen voor de Joodse bevolkingsgroep in deze speciale omstandigheden. Voor de Gazans, waarvan vrijwel alle naaste familie is uitgemoord, betekent dit een enorme klus om uit te zoeken wie in welke volgorde waar is overleden en welke erfgenamen er nog van. Er worden maar liefst 107 nabestaanden gevonden, waarvan slechts enkelen de oorlog overleefd hebben. Eva Gazan-Meuleman, als schoondochter de meest naaste verwant, erft nog fl. 6,50.

Van iedere Joodse inwoner van Nederland werden gegevens bijgehouden. Naam en woonplaats staan boven de streep. Daaronder staan het adres en de geboortedatum en evtentuele verdere gegevens. Met een stempel werd vermeld op welke datum men aankwam in doorgangskamp Westerbork (afgekort als w’bk). Met potlood is schuin over deze gegevens de datum geschreven waarop men vanaf Westerbork op transport (trsp) ging naar de vernietingskampen. Op de achterzijde stond vaak een contactpersoon vermeld die de Joden bij aankomst in Westerbork opgaven.

Van Salomon Gazan is geen Joodse Raad kaart bewaard gebleven.