Meijer Cohen is het hoofd van de plaatselijke vleestoewijzingscommissie, die het beschikbare vlees dient te verdelen onder de slagers van Oude-Tonge. Deze functie moet hij van de bezetter neerleggen omdat hij Jood is. Zijn voormalige knecht, die inmiddels een eigen slagerij heeft, volgt hem op. Onder collegaslagers is er begin 1942 onrust over de vleesverdeling. Zij worden door zijn knecht opgestookt om met elkaar te gaan klagen bij de burgemeester. Oude-Tonge had sinds het voorjaar van 1942 een NSB-burgemeester, burgemeester Dekker. Deze is een NSB’er. Ook de veldwachter van Oude-Tonge is een fanatieke NSB’er. Alom is bekend dat zij fel anti-Joods zijn. Na de oorlog getuigt een dorpsgenoot: ‘Omstreeks Pasen 1942 was het in Oude-Tonge een publiek geheim dat burg., veldwachter en slager er aan werkten om de joodse slager M. Cohen weg te krijgen. Al in april 1942 merkt Cohen hiervan de gevolgen.
De burgemeester reageert dan ook actief op de klachten van de collega-slagers. Hij vraagt direct om toestemming aan de Ortskommandant om de zaak van Cohen te sluiten omdat deze vuil zou zijn – dat is een andere klacht dan de slagers hadden ingebracht. Cohen mag niets meer uit zijn winkel halen. Omdat hij dit wel gedaan zou hebben, wordt hij op 11 april 1942 van zijn bed gelicht en naar de Sicherheitsdienst in Rotterdam gebracht. Hij keert nooit meer naar het eiland terug: eind juni ontvangt zijn vrouw Sophia het bericht dat Meijer het leven in concentratiekamp Mauthausen heeft gelaten.
Dat brengt veel schrik teweeg, bij de familie en in het dorp. Het weerhoudt de veldwachter en de burgemeester er niet van om zich actief in te zetten om ook de zoons van Cohen lastig te vallen en uit het dorp weg te werken. Sophia en haar zoons worden opgeroepen voor het eerste transport van Goeree-Overflakkee, op 14 augustus 1942. Zij vertrouwen de verhalen over werkkampen niet en besluiten onder te duiken.