Familie Gazan-Meuleman

Philip Gazan is één van de tien kinderen van Salomon en Sebilla Gazan-Levi. Samen met zijn vrouw Eva Meuleman vestigt hij zich na zijn huwelijk in april 1923 in Dirksland. Zowel Eva’s als Philips’ vader is slager. Het jonge stel opent ook zelf een slagerij, aan de Straatdijk. De Dirkslandse Straatdijk is voor de oorlog een echte winkelstraat: er zijn maar liefst dertig winkel(tje)s te vinden, waaronder nog drie andere slagerijen. Philip is vooruitstrevend: hij heeft al in de jaren twintig een auto en verwisselt deze in de jaren dertig weer voor een nieuwer model, een Ford uit 1932. Tijdens de oorlog neemt de Wehrmacht deze auto in beslag. Een vergoeding ervoor blijft uit.

De slagers van Dirksland, Philip midden op foto in witte jas.

Philip en Eva ontvangen anderhalf jaar na hun bruiloft hun eerste en enige kind, dochter Sebilla. Zij bezoekt de openbare school in Dirksland aan de Ring. Daarna vervolgt ze haar opleiding aan de U.L.O. in Middelharnis. In april 1942 haalt ze haar diploma stenografie bij een particuliere school in Dirksland. Het zal wellicht voor haar een manier geweest zijn om de tijd te doden: naar school gaan, fietsen, naar de radio luisteren, naar het strand, vriendinnen ontvangen of bezoeken: het was haar als Joods meisje inmiddels allemaal verboden.

Uiteen

Ook Philip en Eva lijden onder de anti-Joodse maatregelen. Philip moet zijn runderschietmasker inleveren bij de burgemeester, vanwege een Duitse verordening die het particulieren verbiedt om ‘wapens’ te bezitten. Kort daarna wordt de slagerij helemaal gesloten op last van de bezetter. Er lijkt nog even sprake van dat Philip verplicht tewerk wordt gesteld – de burgemeester geeft begin juli 1942 aan de Arbeidsdienst door dat hij beschikbaar is om opgeroepen te worden – maar voor het zover komt, ontvangt Philip al een oproep tot deportatie. Dát staat er overigens niet op: het wordt eufemistisch een ‘oproep voor tewerkstelling in het oosten’ genoemd. Philip moet met het eerste transport mee van het eiland op 14 augustus. Hij wordt via Rotterdam naar Westerbork vervoerd. Daar moet hij op 24 augustus op transport. Hij wordt niet direct na aankomst vermoord, maar de barbaarse omstandigheden in het kamp maken dat hij toch al voor het einde van september de dood vindt.

Verjaardag

Volgens het stempel op haar Joodse Raadkaart had Sebilla ook met het eerste transport van Goeree-Overflakkee afgevoerd moeten worden. Dit gaat niet door, zij blijft nog in Dirksland, alleen in het huis aan de Straatdijk: haar moeder Eva is vanwege gezondheidsklachten inmiddels opgenomen in het ziekenhuis aldaar, evenals haar oude opa en oma Gazan uit Sommelsdijk. Sebilla gaat dagelijks bij hen op bezoek.

Tijdens het tweede transport van Goeree-Overflakkee, begin november, moet Sebilla wel mee. Op de lijst die de gemeente Middelharnis in 1967 heeft samengesteld, wordt voor dit transport de datum van 3 november genoemd. Deze datum wordt daarna door anderen overgenomen. Op de rekeningen voor het vervoer, die zich nog in het Streekarchief bevinden, staat echter 4 november genoemd. De notaris van Eva Gazan schrijft op 8 augustus 1945 ook dat  ‘de genoemde dochter op 4 november 1942 naar Amsterdam moest verhuizen’. Het is maar een dag verschil, maar wel extra wrang: 4 november 1942 was de achttiende verjaardag van Sebilla. In een gedicht dat een dorpsgenoot later maakt, wordt ook geschreven dat Sebilla op haar verjaardag is afgevoerd. Hoogstwaarschijnlijk is 4 november dus toch de juiste datum. Vanuit de Hollandse Schouwburg in Amsterdam wordt Sebilla doorgevoerd naar Westerbork. Daar moet ze op 7 november mee op transport naar Auschwitz. Nog geen week na haar achttiende verjaardag, op 10 november 1942, wordt ze vermoord.

De slagerij op de Straatdijk, vooraan rechts op de foto.

Onderduik

Eva Gazan-Meuleman verblijft tot januari 1943 in het Van Weel-Bethesda ziekenhuis te Dirksland. Dan wordt zij met de vijf andere Joodse patiënten uit het Dirkslandse ziekenhuis naar het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis (NIZ) te Amsterdam gebracht. Echt veilig is het daar niet: iedere dag worden patiënten opgehaald voor transport naar Westerbork. Samen met Debora Rood uit Middelharnis besluit Eva om geruchten over ontruiming niet verder af te wachten, maar onder te duiken. Het NIZ bevindt zich nog net buiten het getto van Amsterdam, dus lopen de dames de straat op en weten ze onderdak te vinden. Eva is afkomstig uit Twente (Almelo) en vindt een onderduikadres in Enschede. Daar overleeft ze de oorlog.

Nog niet voorbij

Na de bevrijding keert Eva weer terug naar Goeree-Overflakkee. Daar begint het wachten op Philip, op Sebilla, op haar schoonfamilie en op anderen uit de Joodse gemeente. Op 8 augustus 1945 weet ze nog niets, zo schrijft haar notaris: ‘terwijl thans niet bekend is, waar vader en dochter zich bevinden en of zij nog in leven zijn.’ In februari 1946 durft ze niet meer te hopen op een levensteken van Philip, maar nog wel op dat van Sebilla: ‘dat volgens ontvangen inlichtingen van het Rode Kruis hare dochter in leven moet zijn en zich thans zou bevinden in Polen aan de Russische grens, doch dat van hare echtgenoot nimmer berichten zijn ontvangen.’ Ondanks alles wat ze heeft meegemaakt en de aanhoudende grote zorgen, wordt Eva door de gemeentelijke administratie niet als oorlogsslachtoffer aangemerkt. Ze moet grote moeite doen om de twee onroerende goederen, de woning/winkel aan de Straatdijk en bijbehorende schuur aan de Tuinstraat terug te kopen. Haar woning staat pas op 1952 weer op haar naam. Voor het schuurtje is zelfs een rechtszaak nodig, omdat de antisemitische oorlogskoper weigert aan het rechtsherstel mee te werken. Wanneer de rechtszaak in 1955 eindelijk door haar gewonnen is, klopt de gemeente bij Eva aan: het schuurtje vormt een gevaar voor de verkeersveiligheid, dus dient het te worden afgebroken. Eva Gazan wil het schuurtje houden omdat het nodig is voor het kunnen functioneren van de slagerij. De gemeente houdt echter aan. Eva concludeert op 6 juni 1956: ‘In antwoord op uw schrijven van 31 mei 1956 deel ik u mede alsdat ik wel genoodzaakt word om de schuur te verkopen.’

Eva verhuist in februari 1946 terug naar haar geboorteplaats Almelo. Begin jaren zestig gaat ze in haar onderduikplaats Enschede wonen. Daar overlijdt ze op 70-jarige leeftijd in 1968.

In 2005 plaatste het EilandenNieuws een bijzonder gedicht over Sebilla Gazan, dat gemaakt was door Cornelis Peekstok. Volgens Peekstok had zijn zusje Elisa vriendschap aangeknoopt met een Duitse soldaat om haar vriendin Sebilla te redden. Het kon Sebilla niet redden, maar na de oorlog werd Elisa wel kaalgeknipt door de Dirkslandse bevolking vanwege deze vriendschap, ook al zou ze totaal niet Duitsgezind zijn geweest. Na zoveel jaar nog uitzoeken welke intenties men had is onmogelijk; uit het gedicht blijkt vooral, weer,  welke diepe impact de oorlog heeft gehad op levens.

Sebilla

Wie zal zeggen hoe het was,
dat kleine, grote rampjaar ´42
waarin Berlijns geboefte
in ´t geheim almachtig
had besloten alle joodse burgers
uit te roeien, rücksichtslos,
hoe en waar dan ook.

Wie zal zeggen hoe het was,
toen zij op 4 november 18 werd,
de vader al maandenlang geleden
afgevoerd, en uit ´t ver gelegen
onbekende kamp van gas en as,
waar werken onbeschrijflijk was,
werd taal noch teken meer gehoord.

Wie zal zeggen hoe het was,
jarig zijn, alleen, in ´t holle huis,
nu ook de moeder weg in ´t hospitaal,
met slechts één langverwachte brief,
maar niet van vader, ´t kwam van dichterbij,
van hogerhand,  behelsde mee te komen
en te gaan de weg die vader eerder ging.

Waar was de ruimte om te schuilen,
van hoogbehuisde dokters, dominees
tot andere ambtelijke kringen, met kamers veel,
van herenboeren met hun grote schuren
tot keuterboeren met hun vele hokken?
Of was een star, naïef geloof en denken
sterker dan welk angstig voorgevoel?

Wie zal zeggen hoe het was,
die laatste blik op hospitaal
en eiland, ´t oude Rotterdam in puin,
Mokums drukke Joodse Schouwburg,
een laatste week in ´t Drentse kamp,
vóór ´t helse, bonkend sporen
drie dagen/nachtenlang in veewagons,
tot slot gedumpt voorbij de Arbeitsfreiheit.

Huppelend ging ik langs gesloten winkeldeur,
de geleende Goede Herder in hart en hand,
’t verving  gekregen vroeger snoepgoed,
en zweefde over lichte straatdijkklinkers:
de wereld was nog klein en feestelijk fijn,
het abc maar net begonnen,
op ´t xyz nog lang geen zicht.

Mijn zus Elisa, 9 dagen jonger slechts, probeerde,
althans dat ware dom naïef te hopen,
de vijand met haar charmes in te palmen,
Sebilla´s duister lot te keren, “aber NEIN!”
Na jaren kapten stoere knapen tijdelijk haar haren.
Mijn God, waar was Elisa´s God,
en waar Sebilla´s Jahwe?

Wie zal zeggen waar Zij waren …

Van iedere Joodse inwoner van Nederland werden gegevens bijgehouden. Naam en woonplaats staan boven de streep. Daaronder staan het adres en de geboortedatum en evtentuele verdere gegevens. Met een stempel werd vermeld op welke datum men aankwam in doorgangskamp Westerbork (afgekort als w’bk). Met potlood is schuin over deze gegevens de datum geschreven waarop men vanaf Westerbork op transport (trsp) ging naar de vernietingskampen. Op de achterzijde stond vaak een contactpersoon vermeld die de Joden bij aankomst in Westerbork opgaven.