Familie Cohen-de Vries

Maurits en Rosalie laten in 1926 aan de Boezemweg, de toenmalige buitenrand van Dirksland een nieuwe woning bouwen. Maurits is geboren in Dirksland, Rosalie komt uit Middelburg. Na hun huwelijk in 1905 vestigen zij zich in Dirksland, waar Maurits met zijn oudere broer Leo Mourice de manufacturenzaak van de familie aan de Voorstraat drijft. De Boezemweg krijgt als eerste straat van Dirksland elektriciteit – het hele dorp keek met lonkende ogen naar die luxe.

De drie kinderen van Maurits en Rosalie hebben niet of slechts heel kort van het nieuwe huis genoten: tussen 1925 en 1926 verlaten zij alle drie het ouderlijk huis. De tweede in de rij, zoon Alex, vertrekt als eerste op 15-jarige leeftijd. Net als zijn vader Maurits ooit had gedaan, dient hij elders het handelsvak te leren. Zijn Bar Mitswa, de Joodse religieuze ceremonie waarmee jongens volwassen worden voor de Joodse wet, heeft hij dan al achter de rug. Alex komt in het Duitse Emmerich terecht. Mogelijk houdt de familie daar contacten aan over. Buurman Mijnders verklaart tijdens de oorlog dat hij zijn radio heeft verkocht aan een Duitse soldaat: ‘deze Duitse soldaat kwam regelmatig op bezoek bij mijn buurman, de Jood Cohen. Door diens bemiddeling ben ik met hem tot overeenstemming gekomen.’

 Ook de veertienjarige jongste zoon Leon verhuist nog in dat zelfde jaar 1925, naar Leerdam. In Dirksland zal hij niet meer gaan wonen; na veel omzwervingen vestigt hij zich uiteindelijk in 1937 in de Verenigde Staten. De oudste van de drie kinderen, dochter Harriët, vertrekt als laatste in 1926 op twintigjarige leeftijd naar Den Haag. Van een terugkeer van Alex, zoals wel de bedoeling was, komt echter niets meer: hij loopt in 1930 een ernstige ziekte op en na een korte ziekenhuisopname in Rotterdam – het ziekenhuis in Dirksland is er nog niet – overlijdt hij.

Betrokkenheid

‘Gezocht: een net meisje voor de huishouding en hulp bij onze drie kinderen’. Vrijwel jaarlijks is er in het Nieuw Israëlitisch Weekblad in de jaren tien en twintig zo’n advertentie te vinden waarin Maurits en Rosalie  Cohen-de Vries uit Dirksland huis- of winkelpersoneel zoeken. Behalve in personeelsadvertenties is de naam van Rosalie Cohen ook met grote regelmaat te vinden in de krantenkolommen waarin verantwoording van giften wordt gedaan: voor Joodse organisaties als de ‘Joodsche Invalide’ tot een gift voor een ‘verongelukte moeder met kind van 18 maanden, waarvan man en twee kinderen bij een auto-ongeval bij Haarlem zijn omgekomen’. Zo is zij ook één van de trouwste donateurs aan het vluchtelingenkamp te Hellevoetsluis. Daar worden van december 1938 tot augustus 1939 ruim tweehonderd Joods vluchtelingen uit Duitsland opgevangen. Uit de krantenkolommen komt het beeld naar voren van een familie die duidelijk betrokken is op de Joodse gemeenschap en het lot van Joden elders.

Herinneringen

 ‘Ze waren welgesteld. Dat kon je vooral merken aan de omgang, ze stonden boven je en je keek tegen ze op. Het was echt ‘meneer Cohen’ en ‘mevrouw Cohen’. Dat standsverschil was er toen heel sterk. Er waren zoveel mensen arm, wie daar boven uit stak, daar keek je tegen op. Vervelend was dat niet, het waren heel aardige mensen. Ze waren wat eenzaam, want hun kinderen woonden er niet meer bij hen. Mijn grootouders gingen regelmatig bij hen op theevisite en dan kreeg ik de opdracht om hen te gaan uitnodigen.’ Ook met de buren hadden zij vriendschappelijk contact, al was dat niet met iedereen. Slechts enkele huizen verderop woonde een heel fanatieke NSB-er, die tijdens de oorlog als burgemeester elders de schrik van de streek zou worden.”

 “Ik moest daarvoor de Tramweg oversteken en het bruggetje over de Boezem. Echter, bij het tramstation stonden jongens op de tram te wachten. Die bracht kranten mee die zij zouden bezorgen. Het waren jongens van de christelijke school, dus ik kende hen niet goed. Ik vreesde hen echter wel, want ze deden altijd heel vervelend. Het voelde nu extra onveilig, omdat ze met zoveel waren. En inderdaad, toen ik passeerde zei één stevige jongen: ‘Laten we die Jood pakken’ Omdraaien wilde ik niet meer, dat was laf. Dus probeerde ik zo snel mogelijk langs hen te gaan. Verschillende handen probeerden me vast te pakken toen ik passeerde. Ik riep: ‘laat me los, ik doe jullie niets’.  Het lukte me natuurlijk niet om los te komen, ze spuugden op me en sloegen me en ondertussen schreeuwden ze maar: ‘ vuile jood, vuile jood’. Uiteindelijk lieten ze me gaan. Ik was zo bij tante Rosalie en zij deed gelijk de deur open. Wat bleek? Ze had alles gezien, maar niet durven in te grijpen. Ze was heel lief voor me, maar suste het en zei dat de jongens het niet zo kwaad bedoelden, maar alleen niet gewend zijn aan mensen die anders zijn dan zij zijn.”

“Ik herinner mij nog als de dag van gisteren hoe ik persoonlijk het begin van de oorlog beleefde (…). Al vroeg in de morgen stonden overal op straat mensen met bedrukte gezichten te praten. Zo stond er ook een groepje mensen te praten bij onze buren voor de deur. Die buren waren de familie Cohen, waar we altijd prettige buren aan hebben gehad. Maar ze waren Joden en daar hadden de Duitsers het ook op gemunt. Toevallig logeerde er een Duitse arts bij de Cohens. Hij was als Jood al een jaar eerder uit Duitsland gevlucht en nam de praktijk van onze huisarts waar, die met vakantie was. Die Duitse arts wist maar al te goed wat er in Duitsland aan de hand was en hij bezwoer de familie Cohen om met hem mee te vluchten naar Engeland. Ik hoor Cohen nog tegen mijn vader zeggen dat hij toch niet zomaar zijn huis en zijn zaak in het dorp kon achterlaten. Hadden ze maar geluisterd. De jonge joodse arts is nog diezelfde morgen via de Zeeuwse eilanden naar Engeland gevlucht.”

Maatregelen

Tijdens de oorlog krijgen ook de Cohens te maken met de anti-Joodse maatregelen. Ze laten zich in 1941 bij het gemeentehuis registreren, zoals verplicht was. Deze lijsten zijn bewaard gebleven in het Streekarchief Goeree-Overflakkee. De burgemeester verleent hen op hun verzoek nog wel toestemming om hun winkel te sluiten op sjabbat en Joodse feestdagen. Niet lang daarna wordt de zaak echter door de bezetter gesloten. Op 4 november 1942 moeten Maurits en Rosalie met het tweede transport van Goeree-Overflakkee mee. Volgens dorpsgenoten worden ze door hun buren uitgezwaaid totdat ze met de tram over de brug zijn en niet meer zichtbaar zijn. De Cohens worden via Amsterdam gelijk doorgevoerd naar Westerbork. Daar moeten ze met de eerste trein mee naar Auschwitz. Op 13 november worden ze direct na aankomst vermoord; Maurits op de leeftijd van 64 jaar, Rosalie is nog geen maand ervoor zestig jaar geworden. Na de wegvoering krijgen de burgemeesters de sleutels van en het beheer over de leeggekomen Joodse panden. Op 3 maart 1943 vraagt de instantie die Joodse panden inmiddels ‘in eigendom’ heeft, de burgemeester om medewerking om dit pand te ‘ariseeren’, ofwel te verkopen aan een NSB-gegadigde. In juni wordt het pand daadwerkelijk verkocht. De burgemeester blijft alsnog betrokken bij de woning: hij vraagt in september aan de Ortskommandant of hij de woning, die deze in beslag had laten nemen, weer wilde vrijgeven, zodat het hoofd van het arbeidsbureau uit Middelharnis deze kon betrekken. Hiervoor wordt door de gemeente huur betaald aan de oorlogskoper. In het winkelpand van de fa. Cohen aan de Voorstraat vestigt de gemeente de Bewaarschool. Ook hiervoor betaalt de gemeente de verschuldigde huur uit aan de oorlogskoper. De Nederlandse regering in Londen had opgeroepen niet mee te werken aan de verkoop van Joodse panden; in verhuur ziet de gemeente Dirksland kennelijk geen bezwaar. Na de oorlog meldt Maarten Rooij zich als beheerder van de bezittingen van familie Cohen. Dat doet hij uit vriendschap, zonder vergoeding en met veel inzet: talrijk zijn de brieven waarin hij het Nederlands Beheerinstituut maant om vaart te maken en de bezittingen over te dragen aan dochter Harriët. Zij heeft met haar twee jonge kinderen de oorlog overleefd. Haar man is echter ook vermoord, evenals haar schoonouders, en ze heeft vrijwel niets te besteden. Van het vermogen op de bank is geen spaarbankboekje bewaard gebleven, dus kan dit niet worden vergoed. Dat Rooij wél een beheerdersvergoeding zou mogen opnemen uit de erfenis van haar ouders, terwijl dochter Harriët in armoede leeft en slechts een schamel voorschot ontvangt als enige erfgename – haar broer in de Verenigde Staten verwerpt de erfenis om haar ruimte te geven – is een logica die hij niet kon begrijpen.

Van iedere Joodse inwoner van Nederland werden gegevens bijgehouden. Naam en woonplaats staan boven de streep. Daaronder staan het adres en de geboortedatum en evtentuele verdere gegevens. Met een stempel werd vermeld op welke datum men aankwam in doorgangskamp Westerbork (afgekort als w’bk). Met potlood is schuin over deze gegevens de datum geschreven waarop men vanaf Westerbork op transport (trsp) ging naar de vernietingskampen. Op de achterzijde stond vaak een contactpersoon vermeld die de Joden bij aankomst in Westerbork opgaven.