Theodorus Frans Witte

Theodorus Franciscus Witte werd geboren op 10 juli 1916 als negende kind in het gezin van Jan Witte en Maria Witte- Breen. In het dagelijkse leven werd hij ‘Door’genoemd. Na hem werden nog vijf kinderen geboren. Vader Witte was visser op de OD 23. Al vroeg moest Door mee helpen de kost te verdienen op de boot van zijn vader.
Op 17 april sterft moeder Witte in het ziekenhuis te Dirksland. In de nacht van 23 op 24 november 1944 verdwijnt zoon Jan met twee andere Ouddorpse jongens, Arie Bakelaar en Dirk Tanis met de Ouddorpse reddingsboot naar het bevrijde Brabant. Vader Witte kan bij het daarop volgende verhoor naar eer en geweten antwoorden dat hij nergens van af weet. Wegens gebrek aan bewijs laten de Duitsers hem weer gaan. Met de razzia van 20 december 1944, wordt ook Door Witte weggevoerd om uiteindelijk in Hamburg terecht te komen. Hier werd hij tewerk gesteld op een groot koopvaardijschip dat vluchtelingen vanuit Oost-Pruisen via de Oostzee naar Kopenhage moest brengen. Die laatste maanden van de oorlog probeerden enkele miljoenen Duitsers op die manier uit handen van het oprukkende Russische leger te blijven.
Vanaf begin 1945 begeven duizenden, meest ouden van dagen, vrouwen en kinderen, zich naar havenplaatsen in het noorden van Duitsland in de hoop via zee te kunnen ontsnappen. Voortdurend staan de schepen die de vluchtelingen vervoeren, bloot aan luchtaanvallen van de Russen. Een 80-tal schepen gaan daardoor verloren. Op 16 april 1945 ligt enkele honderden meters uit de kust het tamelijk nieuwe vrachtschip ‘Goya’, in camouflagekleuren geschilderd. Dit in 1940 gebouwde is ook doelwit van de Russische aanvalsbommen-werpers. Direct na de aanval proberen de mensen vanaf de kade met allerlei bootjes de ‘Goya’ te bereiken en aan boord te komen. Het is een trieste lading die de ‘Goya’aan boord krijgt. Wanhopige, gewonde en geestelijk gebroken mensen. Velen moeten echter achter blijven op de kade. Nieuwe aanvallen maaien ook het leven van die mensen af. Inmiddels zijn zo’n 7000 mensen aan boord gekomen. Het zal duidelijk zijn dat op een vrachtschip als de ‘Goya’ de faciliteiten niet zijn als op een passagierschip; toiletten zijn er te weinig, geen artsen, geen verpleegsters, geen reddingsmiddelen enz. Om 18.10 moet de kapitein het bevel geven om af te varen. Meer mensen aan boord nemen is niet verantwoord.
Het konvooi volgt in het duister de kortste diepwaterroute. De ondiepere kustwateren liggen vol mijnen. Het diepe water wordt echter onveilig gemaakt door Russische onderzeeërs. Sinds uren ligt in deze omgeving de ‘ L3”, een Russische onderzeeër. De commandant voelt zich geroepen een mislukte aanval op de ‘Cap Arcona’ op 31 januari 1945 ( zie David Doornheim) goed te moeten maken. Om 23.52 uur krijgt hij de ‘Goya’in het vizier van zijn periscoop. Onmiddellijk geeft hij het bevel: ‘Vuur”! Enkele ogenblikken later scheuren twee torpedo’s de scheepswand van de ‘Goya’open. Het voorschip en de machinekamer worden vernield. Met een geweldig lawaai breekt het schip middendoor. In de korte tijd van 7 (!) minuten zinkt het sterke schip in het 78 meter diepe water. Duizenden mensen vinden op deze manier hun graf in diepte. De hulpverlening door andere schepen komt moeizaam op gang. Duisternis en motregen spelen een nadelige rol, terwijl ook de capaciteit van de hulpverleners veel te gering is. Sommigen worden na 11 uren nog opgepikt door Duitse snelboten.

Na de bevrijding komen de weggevoerden weer terug naar Nederland, ook naar Ouddorp. Door Witte echter niet. Via een overlevende van de ramp komt de tijding bij de familie in Ouddorp aan dat hij verschillende reizen met Door heeft gemaakt. In de nacht van 16 op 17 april 1945 raakte hij Door kwijt bij de ramp met de ‘Goya’.