Het verhaal van Jannetje van Jan van Dam.

Ze zit al klaar met een bakkie als ik het warme kamertje binnenkom bij tante Jan­netje van Dam, dochter uit het vissersgezin van Jan van Dam en Maria Lokker van „’t Hoad”. Ruim zeventig jaar woonde ze bijna onafgebroken op het Havenhoofd, maar sinds kort heeft ze een huisje aan de Tramlijn in Goeree. Bij het ouder wor­den werd het haar te zwaar het grote huis op ’t Hoofd te blijven bewonen. Haar ga ik vragen iets te vertellen over een voor de Goereese vissers diep ingrijpende periode uit de oorlog. Haar verhaal volgt hier:

Het uitbreken van de oorlog was ook op ’t Havenhoofd nog dezelfde dag bekend.

Sommige vissers lagen op dat moment aan de vismarkt in Scheveningen. Die zijn onmiddellijk naar huis komen stomen.

Ook waren er nog een paar op zee. Bram van Wijn Redert lag thuis in de haven en hij is toen uitgevaren om de vissers die aan het vissen waren te waarschuwen. Terwijl ze naar huis stoomden, vlogen de vliegtuigen al over. Het geweld van de oorlog werd al vlug duidelijk. Op 14 mei werd Rotterdam plat gebombardeerd. Je kon dat vanaf „d’n hoagen duun’n” goed zien. De mensen stonden allemaal te kijken. Heel de lucht boven Rotterdam was bloedrood en je zag overal zwarte rook.

De oorlog kwam nog dichterbij, toen al gauw bij de mensen met de grootste hui­zen de eerste Duitsers werden ingekwartierd. Bij ons thuis kwam ene Max Schmidt in huis, de eerste Duitser op ’t Hoofd. Hij kwam van boven Berlijn en had de zee nog nooit gezien. Thuis beschikten wij al over twee telefoons: één speciaal voor de kustwacht en één gewone lijn (je weet wel dat wij het kustwachtstation op ’t Hoofdwaren en ook de seinpost bedienden). Die Max Schmidt had dus wacht bij de telefoons. We hadden eigenlijk geen last van hem, ’t was een erg beleefde man. De Zondagsschool van De Goede werd ook ontruimd, daar sliepen de soldaten. Later is er achter ons huis een barak gebouwd, omgeven door een „Sperre” van prikkeldraad. Dat was een wachtpost voor de soldaten. Ze hielden constant de lucht en de zee in de gaten, ’s Avonds werden ze altijd afgelost door een ploeg die uit Ouddorp kwam. Als ze water nodig hadden, kwamen ze altijd vragen of ze dat bij ons uit de pomp konden halen.

Al in 1940 werd begonnen met de bouw van de eerste bunkers, vlak achter ons huis. Later bouwden ze de hele duinen vol, ook achter de Oostdijk, zó naar Ouddorp. Die bunkers waren een onderdeel van de verdedigingslinie. Vóór de kust en op het strand werden mijnenvelden gelegd. Het materiaal voor de bouw van de bunkers werd met zand- en grintschepen in de haven aangevoerd. Die schepen waren door de Duitsers gevorderd. Later liep er onderlangs de duinen zelfs nog een spoorlijntje om het materiaal te vervoeren.

De eerste weken van de oorlog waren de vissers niet gaan vissen, uit angst. Maar, in die vrij arme tijd moest er toch brood op de plank komen en zo gingen ze toch weer een beetje „met de kule onder de kant”.

De oorlog werd steeds grimmiger. In het najaar van 1942 waren de Duitsers er van overtuigd dat het wel degelijk mogelijk was dat de Engelsen aan de kust bij Goeree zouden landen.

Groot was de ontzetting toen op 12 december 1942 het bevel kwam van de Rijks-commissaris dat alle huizen langs de haven moesten worden ontruimd. Het huis van jullie en van ons was daar ook bij! Waar was dat voor nodig? Wel, bij een eventuele invasie van de geallieerden zouden die huizen in het schootsveld kun­nen staan. Angst, wanhoop en woede, toen we hoorden dat de huizen moesten worden afgebroken. Wég je huis, waar zo voor geploeterd was! Waar moest je heen? Waar moest je met je spullen „van boord” blijven? Je horren, je ketting, je touw, enz.? Maar, aan het bevel viel niet te ontkomen. Men probeerde zoveel mogelijk onderkomen te vinden bij de mensen, vaak familie, die nog wel op ’t Hoofd bleven wonen. Het gedeelte waar nu het Dijkje en de Breenstraat zijn, hoefde nog niet te worden afgebroken, al na 6 weken echter kwam ook daar het bevel tot afbraak. Dit betekende voor veel mensen voor de tweede keer inpakken en vertrekken. De meeste gezinnen werden toen naar Goeree geëvacueerd. De mensen daar werden verplicht mensen van ’t Hoofd in te laten wonen. Toch trok­ken er ook mensen naar familie op Stellendam, Melissant en verder in Flakkee.

Jaap van Pietje van den Houten, de oliehandelaar, heeft veel mensen helpen ver­huizen met z’n platte “karre” en paard. Dat was een beste man. Daar zag je ze dan gaan, met hun vaak sobere bezit op een kar, op weg naar Goeree, op weg naar ’t vreemde, ’t onzekere. Weg van waar je woonde, weg van ’t Hoofd! ’t Leek Joego­slavië wel, alleen werd er gelukkig niet zo gevochten.

De huizen op ’t Hoofd werden afgebroken door de “O.T.-ers”. Dat waren mensen van overal vandaan, ook van Goeree en Ouddorp. Die mensen werden door de

Duitsers gedwongen om dat werk te doen. (O.T. is Oorlogs Tewerkstelling). In Goeree werden de grote herenhuizen volgestopt met soms wel 3 of 4 gezinnen. Ook werden oudere, nog zelfstandig wonende mensen gedwongen om b.v. bij hun getrouwde kinderen in te gaan wonen, zodat hun huis vrij kwam voor een gezin van ’t Hoofd.

Wij gingen wonen in de Pieterstraat bij Meutje Neele en jullie trokken in ’t huisje van Maare van Toos, de moeder van Leusje uit de Pieterstraat. In dat huis woont nu Jaapje Klein.

Dat was heel wat. We kwamen uit prachtige huizen en jullie kwamen in een oud, donker, verwaarloosd huis. Je moeder werd er ziek van, weet je dat nog? Voor de mensen in Goeree viel ’t allemaal ook niet mee. Vreemde mensen in je huis improviseren met de ruimte, wennen aan elkaar. Ja, ook wennen aan elkaar, want de Goereeërs en de vissers kenden elkaar heus zo goed niet! De vissers vorm­den toch een gesloten gemeenschapje, toen. Maar, één ding: de oorlog trof ons allemaal en dat gaf een band. Wij zijn trouwens weer vlug op ’t Hoofd terug gaan wonen in een houten nood-huisje dat we ’t “bunkertje” noemden. We kregen daar toestemming voor, omdat vader bij de kustwacht was. We waren toen de enige mensen op ’t Hoofd.

In het begin van de oorlog konden de vissers nog vrij uitvaren, later werd de haven afgesloten met een ketting en bepaalden de Duitsers of je wel of niet mocht vissen. Dat vissen was dan wel onder de kant en niet op zee. Later mocht er ook nog een poosje vanuit Scheveningen en Zeeland gevist worden, ’t Bracht weinig in ’t laadje.

In Zeeland werd de vis vaak geruild voor aardappelen, tarwe of boter. Toen de oorlog vorderde, werden ook de schuitjes één voor één gevorderd. Waar­voor dat was, was voor de vissers een raadsel. Voor de Duitsers ging het in ’44 wel al meer nijpen en ze dachten die scheepjes nog te kunnen gebruiken voor hun rot oorlog.

Het schip van ons moest naar Schiedam gebracht worden, met nog een paar andere. Dat moest je vader nota bene zelf gaan doen! (Als tante Jannetje dit vertelt hoor ik de ingehouden woede in haar stem en haar ogen kijken heel ver, alsof ze ’t schip nog weg ziet gaan). Daarmee was dus het drama voor de vissers compleet.

Sommige vissers probeerden wat te verdienen bij boeren, o.a. op Melissant, bij Sieling en Van Beek (ze kijkt fel): Ze moesten hun eigen kruik met water nog meenemen!

Aan het eind van de oorlog waren de meeste vissers arm en berooid, hoewel er geen verschrikkelijke dingen waren gebeurd, zoals in andere delen van Neder­land. Zeker, er waren ook hier wel slachtoffers als gevolg van de oorlog, maar erg gevochten was hier niet. De materiële schade van de vissers was alleen wel erg groot. Het einde van de oorlog betekende voor hen nog niet het einde van de ellende. Ze gingen op zoek naar hun schip. Weinig werden er teruggevonden. De “schüte” van ons was in Assendorf, een klein plaatsje net over de grens bij Gro­ningen, door de Duitsers in de grond geboord. Er was niets van over. Na de oorlog is er veel en hard gewerkt en getobd om een nieuw bestaan op te bouwen en weer een schuitje te kopen. Het Havenhoofd werd in fasen weer opgebouwd, met steun van het Wederopbouwfonds en ook voor de aanschaf van een ander schip kreeg men overheidssteun. Die tegemoetkomingen waren echter lang niet toereikend en de mensen moesten meestal nog geld zien te lenen. Nee, die mensen van na de oorlog hebben ’t heel moeilijk gehad om er weer bovenop te komen. Dat is gelukkig nu heel anders.

Het Hoofd is na de wederopbouw nooit meer geworden wat het vroeger was. Het gezellige was verdwenen, het vertrouwde was weg, de huizen waren anders, de mensen waren anders. Ook kwamen veel oudere mensen niet meer terug naar ’t Hoofd.

Voor veel van de ouwe vissers is de oorlog ’40-’45 toch een erg zwarte, zeg maar gerust een „gekoolteerde” bladzijde in hun levensboek gebleven.

Gesprek: mevr. Jannetje Padmos-van Dam

D. van Dam

Bron: Kom vanavond met verhalen…