Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog van Piet Jacobs, landbouwer, Achthuizen.

Het was ’s nachts erg druk geweest met vliegtuigen. Steeds hoorde je geronk in de lucht. Later hoorde je schieten en bombarderen. De eerste radioberichten waren schaars. Mijn vader wilde graag bij de beesten gaan kijken die op het gors liepen bij Den Bommel. Juist toen wij daar waren, werd de veerboot die van den Bommel naar Numansdorp voer, aangevallen. Een vliegtuig scheerde laag over die boot heen terwijl het de boot beschoot. Wij wisten niet beter te doen dan plat op de grond te gaan liggen. Op het gors waar we moesten wezen waren drie inslagen te zien. We zijn maar terug gegaan naar huis, de schrik zat er gelijk in. Later moesten we evacueren omdat hier alles onder water werd gezet. Alles moest mee. We konden bij een oom op Melissant terecht, Willem Heestermans. Daar hoefden ze niet te evacueren. Toen we daar een poosje waren, kregen een paar NSB-boeren hier hun land terug, ook een boer hier van de Kranendijk. Nu was het zo, dat ook wij in dezelfde polder land hadden, zodoende kregen wij ook twee blokken land terug die droog lagen. De producten waren hoofdzakelijk voor de Wehrmacht bestemd. We werden verplicht o.a koeiepeen te telen en andere producten. Als we op het land bezig waren kwamen dikwijls Engelse vliegtuigen over. Zo hebben we ook die twee geallieerde bommenwerpers tegen elkaar zien botsen, waarbij de beide bemanningen om het leven kwamen (6 oktober 1944?). Hier lag een stuk vleugel, daar een motor diep in de grond geslagen enz. Later toen we op het land werkten, vonden we nog een lijk van een van de vliegers. Ook een pantservest en een kam en foto’s hebben we gevonden en bewaard. Nog weer later toen we via de dijken naar een stuk land bij Sluishaven gingen, zagen we een vliegtuig hoogte verliezen en tenslotte zette de piloot zijn toestel aan de grond in een stuk tarwe. Nadat hij uitgestapt was stak hij de hele boel in de brand en liep rustig weg! Hij werd al snel gevangen genomen door de Duitsers die snel ter plaatse waren.

Eind 1944 namen de problemen hand over hand toe. Een groot deel van het eiland stond onder water. De Duitsers stalen alles weg, paarden en landbouwproducten, kortom alles wat ze konden gebruiken. Wij zaten hier alleen als boer. Iedere dag kwam een zoon van een NSB-boer hier zeggen dat we moesten rijden voor de Duitsers met de paarden. Dan waren het kolen, dan etenswaren, dan munitie, hout enz. Om de twee dagen moest ik kanonnen verplaatsen met een Duitser. Praten deden ze niet met me. En het gebeurde altijd tegen het donker. De Geallieerden zaten al in Brabant en over en weer waren er beschietingen, dus ze wilden steeds hun geschut verplaatsen. Op zeker moment moest ik prikkeldraad halen van de Waterweg in Middelharnis en naar Sluishaven brengen. Dat woog best behoorlijk, een z.g. drieling wagen vol. Nu had ik een paard in die tijd dat best wilde werken zolang het maar in de omgeving van huis was, dan deed het alles. In een vreemde omgeving was het een moeilijk beest. Dus die Duitser die mee zou gaan was op de bok geklommen en ik moest het paard aan de toom houden, zo moesten we naar Middelharnis lopen en natuurlijk ook weer terug. Toen we hier bij huis kwamen zag mijn vader me lopen. Hij zei:”Ik zal het wel overnemen”. Toen ze in de hoek bij Sluishaven kwamen was dat paard geen meter meer vooruit te krijgen. Die Duitser wist het natuurlijk ook niet. Toen hebben we de vracht aan de kant gezet, en het is daar blijven staan tot het einde van de oorlog. Toen hebben we het opgehaald en zelf gebruikt!

Bij de razzia in 1944 moesten de overgebleven mannen tussen de 17 en de 40 jaar zich allemaal melden om afgevoerd te worden naar Duitsland. Ik viel er net buiten en mijn vader was laat getrouwd, die was al te oud, die hoefde ook niet. We hadden nog wel een paar knechts uit Achthuizen die ook weg moesten. Sommigen waren zo van streek, dat ze een eind aan hun leven wilden maken. Een man kon ik ervan weerhouden door hem vast te pakken, toen werd hij gelukkig weer wat rustiger. Toen ze hier voorbij kwamen, ze werden via Middelharnis afgevoerd, was er een jonge man bij die nogal grapjes maakte. Later toen ze via Kampen werden afgevoerd richting Duitsland, werd de trein beschoten bij Wierden en juist die jongen, Piet Kerp, werd dodelijk getroffen. Lang hebben we een foto van hem gehad. Later hebben we het fotootje aan zijn moeder gegeven, waar ze natuurlijk heel blij mee was. Een ander, Geert van Berge, is wel getroffen maar niet dodelijk. Hij had een gat in zijn been en hij moest een hand missen. Hij leerde er heel hard mee werken!

De tweede keer dat we moesten evacueren, zijn we weer naar Melissant gegaan. Kort daarna hoorden we, dat we daar ook weg moesten. De boerderij stond te dicht op de kustlijn. Het scheelde maar een enkele meter, maar ze moest weg! Vader zag het toen niet meer zitten. Hij is toen naar K. van B. geweest, dat was een NSB-boer, maar een “goede”. Hij kreeg het voor elkaar dat we mochten blijven. Hij deed enorm veel voor ons. Ook wij hadden later weinig te eten en weinig brandstof. Van B. had nog een “pit” aardappels aan de Westdijk, waar we regelmatig voorraad mochten halen. We hebben dat steeds gewaardeerd.

We mochten wel wat meenemen toen we moesten evacueren, ook voor de koeien hooi enz. Met een grote vracht moesten we over dat smalle dijkje (de Oostdijk) bij Nipius. De Waterweg stond onder water. Boven de weg hingen allemaal kabels waar ik er een van kapot reed met die vracht hooi. Ik wist dat ze kapotte kabels al snel als sabotage uitlegden met alle gevolgen van dien. Ik heb aan iemand gevraagd om even bij de paarden te blijven en ben het geval wezen melden bij een commandant die tegenover Nipius op de Kade zat. Zodoende liep het met een sisser af.

De Duitsers maakten regelmatig, in navolging van de geallieerden, een oversteek naar Brabant. Ze namen dan als een soort bewijs een gevangene mee. Een van die mensen kenden we, dat was een zekere Koetseruiter. Mijn vader heeft hem nog opgezocht in Dirksland. Ook is er nog een Duitser neergeschoten door de Engelsen op zo’n raid hier in de buurt. We hebben zelf ook nog evacués gehad. Op zeker ogenblik kregen we een gezin met 12 kinderen, zelf hadden we er 10. Maar alles ging in die tijd. Ook in Melissant zaten we met een grote club. Onderduikers, evacués, politieke gevangenen, alles bij elkaar was het wel gezellig, behalve het feit dat het oorlog was! In de buurt zaten wel een paar Duitsers. Aan de buitendijk was een waarnemingspost. Toen we daar een keer liepen schoten ze over ons hoofd, gewoon om bang te maken! Misschien kwamen we te dicht in de buurt van de buitendijk.

Veel NSB’ers zaten hier niet, maar als de oorlog langer geduurd had, waren er meer gekomen! Hier in de buurt zat wel een fanatieke NSB-boer. Iedere keer als ik voor de Duitsers gereden had, moest ik me melden op de Schreibstube, het kantoor. Je kreeg wel geld, maar het had geen waarde. De dochter van die NSB’er zat me dan steeds uit te lachen.
Ook heb ik spijkerwacht gehad en verduistering moeten controleren, versperringen openen en sluiten (dan was ik alleen), met spijkers zoeken was je met z’n tweeën. Ik heb nooit een spijker gevonden! Ook moest ik schuttersputjes graven. Om de zoveel meter zo’n ding graven. Dat was slecht werk, ik was nog jong.

Op zeker ogenblik was ik met een neef naar Achthuizen gefietst. Op Melissant was niet zo veel te beleven, vandaar. Nu hadden we nog wat tarwe in huis weggestopt. Toen we gingen kijken was de tarwe weg. Met een bajonet hadden ze een gat in de zak gestoken en al de tarwe was eruit gelopen. We hoorden een lawaai van jewelste beneden toen de Duitsers in de gaten hadden dat we boven waren. We hebben de trap nauwelijks gebruikt zo snel waren we beneden en weg!

Ook is het volgende nog gebeurd in de Melissantse periode. We hadden geen stooksel meer. Mijn vader vroeg aan Jan Nieuwland (de “zakkenstopper” bij de landbouwvereniging) of hij mee ging naar Achthuizen. Daar had hij wel zin in. We hadden nog een oude boomgaard waar we wat hout zouden halen. Toen we bezig waren was er plotseling een lawaai in de lucht, de granaten vlogen ons om de oren! De paarden draaiden in het ronde, de wagen viel om, en wij zochten dekking achter de wagen. Als er een granaat in de buurt gevallen was, had het allemaal niet geholpen, maar vooruit. Na verloop van tijd werd het stil. Wij de wagen weer overeind en geladen want we wilden wel op tijd, voor spertijd, in Melissant terug wezen. Toen we in Middelharnis kwamen, werden we aangehouden bij een versperring. We moesten het hout in Middelharnis afgeven. Vader zag dat niet zitten en wilde het erop wagen om door te rijden.

Het ging goed en we kwamen in Melissant aan. Na verloop van tijd zeiden de jongens van Heestermans dat ze al het hout wilden zagen. Er was nog een cirkelzaag en wij hadden een motor waar we maïs mee sneden voorheen, die sloten we op de zaag aan. We hadden een hele avond gezaagd en hadden een hele stapel hout. Het ging prima! De andere ochtend toen we op kwamen was er van het hout niets meer te bekennen. Alles was weggehaald!! En we wisten nog wie het gedaan had ook. Aan de Molendijk zat een soort boertje, van den B.(de “Balbo”, ook een NSB’er) die had alles weggehaald.

’s Zondags gingen we meestal een eindje lopen. Er was een keer een potvis aangespoeld waar we naar gingen kijken. We liepen een rondje en kwamen dan bij “Anne-Mietje” (van Nieuwenhuizen) uit, langs de dijken kwamen we weer thuis. Of we er mochten komen weet ik niet, maar we deden het wel. We hebben ook een keer gezien dat de Duitsers een lijk uit het water haalden van een piloot .

We hebben het ook nog een keer meegemaakt met vorst, terwijl alles onder water stond, dat er een Duitser door het ijs zakte. Z’n maat ging weg om hulp te halen. Ondertussen lag die andere in dat wak, waar hij niet meer uit kon komen! Even stonden we in tweestrijd of we hem zouden redden, het was onze vijand tenslotte. We hebben hem wel gered! Wij konden er ook niet bij komen, het ijs kraakte van jewelste. Toen hebben we een ladder over het ijs naar hem toegeschoven en op die manier konden we hem op de kant krijgen. Hij was uiteraard heel blij en vertelde het voorval aan zijn commandant. Daarvan kregen we een beloning voor de verleende hulp. Wat dat was weet ik niet meer.
Ze zaten hier o.a. bij Van Reijen, waar in de schuur een auto van mijn oom was ondergedoken. Ze hebben hem niet gevonden! Wel van Willem Heestermans, die had een auto onder een grote berg takkenbossen, z.g. musterd. Waarschijnlijk verraden! Op het allerlaatste ogenblik moesten we een koe leveren. In Dirksland moest die afgeleverd worden. Het was heel kort voor het einde van de oorlog en de koe is nooit afgevoerd en we hebben het beest weer teruggekregen.

In die tijd zat ik op de landbouwschool. De lessen werden met veel onderbreking gegeven. We kregen ook Duitse les op school. Mevr. Den Eerzamen was niet verkeerd, maar er zaten jongens van NSB’ers op school, overigens beste jongens, daarom durfde ze niet weigeren. Na de capitulatie zagen we een vrachtwagen waar Duitsers op zaten die mijnen moesten ruimen. Mijn kameraad en ik wilden wat uithalen en pakten allebei een steen en gooiden! Allebei raak!! Later had ik er spijt van maar je was jong en overzag niet alles. Dat was onze verzetsdaad. Ook het knippen van de z.g. moffenmeiden heb ik meegemaakt in Melissant. Een gezin van de Klundert stelde zich beschikbaar om dat karwei te doen.
Mijn bezwaar was dat niet alle meiden over een kam geschoren werden.
Na de oorlog kwamen veel z.g. verzetsmensen voor de dag. Mensen die nooit iets gedaan hadden waren in een keer zogenaamd bij het verzet geweest!

Om te kunnen slachten hadden ze ook een bijzonder systeem. Een boer in Zuidzijde had een dood varken begraven. Mijn vader en de knecht groeven dat beest op en toonden het aan de controleurs. Toen konden ze zelf een ander varken stiekem slachten. Maar we hadden dat verteld aan een kennis, Tinus van Reijen, die dat ook wel zag zitten! Die gebruikte ook datzelfde varken, zodoende deed dat varken een heel rondje voor dat het echt werd begraven!

Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ‘ Bezet, Belaagd, Bevrijd’.