dhr. M. Zweerus

Deportatie, een waar verhaal uit de bezettingsjaren 1944-1945.

Toen ik op de 20ste december van het jaar 1944 naar mijn werk wilde gaan, kwam ik tot de ontdekking, dat het dorp Dirksland geheel door Duitse schildwachten was afgezet. Niemand mocht het dorp verlaten. Ik ging dus maar terug naar huis, nog niet begrijpende wat er gaande was. Thuis gekomen echter, zou ik er al gauw achter komen wat er in de lucht zat, want een uur later lag er al een papier thuis met de mededeling, dat alle mannelijke personen van 17-40 jaar, zich moesten melden voor de arbeidsinzet. Wie niet aan dit bevel voldeed, stelde zich aan de zwaarste straffen bloot. Ik met mijn zwager besloten er niet op in te gaan en trokken die dag de polder in. Het was erg mistig dus kon men ons vanaf de dijken of wegen niet zien. De gehele dag armoe lijden was natuurlijk het gevolg, en toen het donker begon te worden, gingen we weer behoedzaam naar huis. We besloten die nacht maar gewoon thuis te slapen, ten minsten dat hebben we er op gewaagd. Ik kan niet zeggen, dat ik die nacht zo rustig geslapen heb, want ik was bevreesd, dat ze ons zouden komen halen. De andere morgen was de toestand nog ernstiger. Weer een nieuw bevel van de commandant van het eiland, dat men tot ‘s avonds 6 uur nog de gelegenheid had, zich te melden. Wie na die tijd nog werd aangetroffen, zou van elke 10e man de boel worden plat gebrand. Bovendien zou elke 10de man zonder vorm van proces worden neergeschoten. Het stond er dus niet mooi bij. Dat het de moffen ernst was, bewijst het volgende: Ze hadden die nacht een paar jongens aan getroffen op de boerderij van Vogelaar aan het Dirkslands sas. Bij het gevangen nemen van de jongens schijnt een van de moffen een paar klappen te hebben opgelopen. Als tegenmaatregel hebben zij de gehele boerderij in de as gelegd. De zenuwen oorlog was dus in volle gang. Met dit wapen hebben de Duitsers veel gehaald. De meesten gingen zich die dag melden in het O.T. Lager, en zo kwamen zij vrijwillig in handen van de vijand. Ook ik bezweek die dag onder de druk, en ben ook mede op aanraden van m’n ouders me gaan melden aan het O.T. Lager te Dirksland, met mijn bagage, een deken, ondergoed, eetgerei, enz. Mijn zwager bleef bij z’n besluit, en dat was: “Thuis blijven, thuis onderduiken”, en zo is ook gebeurd en het liep goed af. Zo heb ik daar de nacht doorgebracht in het lager, met meer dan honderd mensen in een barak. Daar werd ons ook nog verteld, dat we voor een week of drie naar Drente gingen, om schansen te maken voor de Duitse weermacht. Ook ik geloofde nog een beetje van dit onzinnige verhaal. De tijd zou anders leren. De andere middag 2 uur was het aantreden. De bagage werd voor ons op wagens geladen, dus hoefden we niet te dragen. Zo konden we gaan lopen in het gelid naar Middelharnis. Een lage colonne van honderden weerloze mannen, bewaakt door een tiental Duitse soldaten. Zo werden we weggevoerd, en langs de weg stonden honderden vrouwen en meisjes, mannen boven de 40 en jongens onder de 17 jaar. Het was een droevige uittocht. Sommige meisjes en vrouwen kwamen nog afscheid nemen van hun dierbaren onder de colonne, en liepen of fietsten heel de rit mee. Sommige Duitsers joegen ze weg, en drongen ze opzij, maar weer andere lieten oogluikend alles toe. Hulde, aan die Duitsers, die zich wel willend tegen ons gedroegen, aan diegenen, die hun hart lieten spreken.

In Middelharnis werd halt gehouden, en werd nog een 40-tal namen voorgelezen. Het waren vrijstellingen, de mannen konden naar huis terug keren. Gelukkig voor hen, die vrij kwamen, des te zwaarder voor ons. We konden weer opmarcheren naar het havenhoofd en daar werden we, nadat we allen onze bagage in ontvangst hadden genomen, in 2 sleepscheepen gedreven, die daar gereed lagen. Daar stonden we met enige honderden in het schip, geen stro, en dus niets dan de houten bodem, maar we hadden toch ruimte om te zitten. Zes Duitse soldaten kwamen ook in de schuit, waar wel stro voor werd aangevoerd. Ik kwam precies naast de moffen te recht, en de ene, vlak naast mij was zo welwillend om wat stro af te staan en nog enige mensen naast mij konden er van profiteren. Tot zover was ik dus niet onfortuinig. ’s Avonds 8 uur de 22ste december gingen we varen, en lieten Flakkee achter ons. Onze behoeften konden we boven, aan boord kwijt, met een man of 10 tegelijk mochten we aan dek. In een van de havens van Rotterdam werd halt gemaakt. Het zal andere morgen een uur of 5 geweest zijn, toen ik aan dek stapte, om ook even een luchtje te scheppen. Ik zag, dat we stil lagen dus dacht ik, want schildwachten zag je niet, ik ga eens aan wal kijken. Ik dacht zo de wal voor me te zien, maar het was aan de verkeerde kant van ’t schip. Ik stapte dus rustig van boord af tot m’n grote schrik stapte ik in het water. Stik donker was het, en ik ging kopje onder, maar ik kwam dadelijk weer boven, en zwom terug naar het schip. Op het lawaai waren enige andere naar boven gekomen, en met behulp van een koppelriem en een staal draad hebben ze me weer aan boord gehesen. Ik hoef hier niet te beschrijven, dat ik toe flink geschrokken ben. Dadelijk beneden in het schip uitgekleed, iemand van de eerste hulp flink met een handdoek wrijven en zo kon ik weer droog goed aan trekken, dat ik gelukkig bij me had. Alleen m’n pet ben ik met dat avontuur verspeeld. Zo ben ik onder een paar dekens gaan liggen in een onverwarmd schip, waar ik het dus niet warm kon krijgen. Intussen was het schip weer gaan varen, en m’n natte kleren hingen aan boord te drogen. In de loop van de dag volde ik me eigenlijk nog niets lekker, en ben tenslotte maar de schuit op en neer gaan lopen, waar nu enige ruimte was gekomen, omdat een aantal mede slachtoffers boven was, aan ’t dek. De tocht ging verder, en midden in de nacht kwamen we te Amsterdam aan. Een moment, om nooit, maar dan ook om nooit te vergeten. We kwamen in een grote lege graanloods, waar misschien wel 1000 mensen als varkens in het stro lagen te snurken. Hier konden we, zo werd ons gezegd, de nacht door brengen. Het was er vreselijk koud, dus van slapen kwam er niet veel, onder ene deken, want meer handen we er niet meegebracht. De andere dag konden we ons beter oriënteren. Meer dan 1000 mensen waren er gelegerd, veel Flakkeeënaars, maar ook veel mensen, die opgepakt waren in de buurt van Haarlem. We konden op en neer lopen, er was ruimte genoeg. Het was intussen gaan vriezen, op de dag voor kerstmis, dus het is te begrijpen, dat het overal koud was, want er werd nergens gestookt. M’n natte kleren heb ik ook in Amsterdam nog buiten gehad om te drogen, maar ik moest er de wacht bij houden, anders had ik de kans, dat ze gestolen werden. We hadden in de schuit allemaal al een Duitse kuch gehad, en in Amsterdam, kregen we een portie warm eten, dus we behoefden nog geen honger te lijden. Op de W.C.’s, er waren er 6 in totaal voor 1000 man, was het een vreselijke bende, want de boel zat totaal verstopt. De andere dag moesten we allemaal weer gereed staan, om ingescheept te worden. Dan was het weer aantreden, en dan werd de zaak weer wat uitgesteld. Maar ’s avonds zou het dan toch doorgaan. Er lagen een stuk of zes kleine schepen gereed, daar moesten we in. Stro lag er genoeg, maar ruimte was er niet, want er werden steeds meer mensen ingeperst. Maar zo ging het dan toch van 1e op 2e kerstdag het IJsselmeer over. Stille nacht, heilige nacht. De andere morgen kwamen we te Kampen aan, waar we in een kazerne werden ondergebracht. Ook hier was het overvol. Ik kwam met honderden anderen in een grote ruimte terecht, wat vroeger voor stal was gebruikt. Hier konden we ’s nachts met net allemaal liggen in het stro, zij het dan hoeks en dwars door elkaar. Het eten werd verstrekt vanwege het Ned. Rode Kruis, dit was dus wel in orde. Elke morgen kreeg ieder een pond brood, een stukje boter en kaas, en elke middag een schaaltje warm eten. Op de W.C.’s in kampen was het nog veel erger gesteld dan in Amsterdam. Alles was er smerig en vuil, en met fatsoen kon je er niet meer terecht. De andere dag kwamen er mensen van de Technische Hulpdienst, welke vrijwilligers vroegen voor het schoonmaken der W.C.’s. Ikzelf, met nog vijf anderen waren bereid, en in samenwerking met de mannen van de Hulpdiensten slaagden we erin, in de tijd van 1½ uur, de zaak weer geheel van vuiligheid te zuiveren.

Dat dit geen aangenaam werkje was, behoef ik niet te vertellen maar enfin, we kregen er nog een extra broodje en een stuk kaas voor, waar we toen al mee uit de brand waren. 4 dagen zijn wij te Kampen geweest, en de geruchten deden de ronde, dat de spoorlijnen naar Duitsland kapot waren gegooid, en we kregen al moed, dat we in Holland zouden blijven. Ook werden er die dagen nog een aantal vrijstellingen uitgegeven, gelukkig degenen, naar huis terug konden, maar als je je naam niet hoort aflezen, is er geen aardigheid aan. Op de avond van de 4e dag was het aantreden, in het gelid, en zo marcheren naar de trein, de trein die ons naar Moffenland zou brengen. Een uurtje wachten in de kou, is voor de Duitsers niets bijzonders. Er werd gedreigd, dat, indien één van ons zou weglopen er 4 kamerraden voor zouden worden neergeschoten. Niemand waagde het dus te ontsnappen. Zo ging het de trein in, en zo gingen we het vaderland uit. Door sommigen werd nog gezongen: “Lief vaderland, Vaarwel, maar de meesten waren in een stemming om te zingen. 30 uren zaten we achtereen in de trein, zonder enig voedsel of drinken. Dan gingen we weer een eind Zuidelijk, en moesten we weer terug, omdat de lijn verderop was gebombardeerd. Maar eindelijk kwam de trein toch op bestemming, Nordhausen in Thüringen, Midden-Duitsland. Het was midden in de nacht, het maantje stond bijna steil boven ons hoofd, iets wat je hier nooit ziet, dat viel al dadelijk op. Er lag sneeuw en het was bitter koud. We gingen een aantal kazernes binnen, en kregen daar een bord soep. Wat voor soep het eigenlijk was, weet ik nog niet, maar het was flink zout. Het smaakte de meesten goed, want we waren koud en hongerig. In de kazernes hebben we verder de nacht doorgebracht.

De andere morgen moest de ganse troep weer aantreden, en we werden al gauw gesplitst in groepen van 100 en 150 man. Onze groep van 150 man kon na veel onderhandelen met de moffen gaan lopen naar een dorpje, 5 KM van Nordhausen af, genaamd Kleinwerther. Dit was onze bestemming. De bewaking was er al af intussen, want ze begrepen wel, dan niemand het in z’n hoofd zou krijgen er van tussenuit te gaan, want we waren meer dan 400 km over de grens. Een paar Duitse burgers leidden ons naar het dorpje, naar een zaal van een café, dat ons lager zou worden. De zaal bleek te klein voor 150 man, maar voorlopig moest het, de andere week werd 50 man overgeplaatst naar een dorpje in de buurt. Zo begon het lieve leventje in Duitsland. De eerste week hoefden we niet te werken, we hadden dus volop tijd om de omtrek te verkennen. De rantsoenen werden eerste dag al bekend gemaakt, het was 3 ons brood per dag. En iedere week wat suiker en boter. Het was daarom de tweede dag bedelen om aardappelen bij de bevolking, die we dan zelf kookte op één van de twee kachels die in het lager brandden. De bevolking was voor ons niet slecht want de meesten kwamen met wat aardappelen in het lager terug. De andere week moesten we gaan werken. Het was meest graafwerk, en dat met een vorst van 12-15 graden. Met een schop en een houweel konden wij, negen uur per dag om te beginnen, proberen in de metaal harde bodem wat grondwerk te verrichten. Een paar dagen later lieten ze je met een man 10 stukken ijzer wegdragen, en later weer een oude muur slopen. Als je maar aan de gang was dan was het goed. Heel de maand Jan. vroor het en lag er sneeuw maar elke dag moesten we naar ’t werk. ’s Avonds kwam je thuis, dan aten we gezamenlijk soep, waar je een uur later weer evenveel honger van had. Dan kon je het dorp in, langs de deur om wat aardappelen te pakken te krijgen. Had je de aardappelen, dan was het nog een toer om ze gekookt te krijgen, want er brandden maar 2 kachels in het lager. Waren ze eenmaal gekookt, dan vrat je ze op als koekjes. Het smaakte altijd goed, of het te zout was of te flauw. Het slapen ging best. Allemaal een strozak en een paar dekens hadden we gekregen en van vliegtuigen hadden we nooit geen last. Zo marcheerde het leven door, en als ik alles in bijzonderheden moest vertellen, dan kon ik wel een boek schrijven. Oorlogs nieuws hadden we slechts uit geruchten. Van jongens die aan de spoorbaan werkten hoorden we, dat de Russen al op Duits grondgebied waren doorgedrongen en inderdaad, dat gaven ook later de onder Duitse toezicht staande laden toe. Ondanks het leed, dat we moesten doormaken, behielden we toch nog een beetje moet voor de toekomst. Berichten van thuis kregen we nooit, later zijn een kleine aantal mensen uit ’t lager zo gelukkig geweest, een brief van thuis te ontvangen, voor de meesten was het niets. Het was dus wachten op de bevrijding, die dichterbij was dan we vermoeden. In februari werden de maatregelen der moffen al strenger, naarmate het met de oorlog voor hen allang slechter ging. Het ruilen tussen ons en Duitse bevolking werd op de doodstraf verboden, we mochten niet meer met de bevolking, op welke manier dan ook, in contact komen. Wij stoorden ons niet aan dergelijke maatregelen, en we zetten gewoon ’s avonds onze bedel tocht ten voorts. Maar de bevolking stoorden zich wel want ook zij waren met strenge straffen bedreigd, en zij durfden ons niet meer in huis te laten, en de meesten draaiden ’s avonds de deur op slot. Dus werd onze buit steeds geringer. De rantsoenen van het lager werden verminderd, en de werk tijd werd met een half uur per dag verlengd. Dat was het mooie land van Adolf Hitler, langer werken en minder eten. Het stond er met ons dus niet zo fraai bij. Maar enfin, het zou zolang niet meer duren. In ’t laatst van Maart gingen er hardnekkige geruchten, dat de Amerikanen in Kassel waren, wat later ook waar bleek te zijn. Kassel was bijna 120 km van ons vandaan, dus we hoopten op een spoedige bevrijding. Een paar dagen later kwam het Duitse leger terug trekken, de hele dag reden er grote legerwagens over de hoofdwegen met grote snelheid, natuurlijk tot onze grote schik. Maar de Amerikanen lieten nog wat op zich wachten. Ik was met nog 9 anderen aan ’t werk, en 20 km van ons lager. ’s Ochtends 3 kwartier lopen naar ’t station, met de trein verder en dan nog een goed uur lopen naar een bos, waar we bomen moesten zagen en kappen, ’s avonds weer terug lopen, met de trein terug en weer lopen naar ’t lager. Met 2 of 3 sneden brood ging je de hele dag van huis, dus het is te begrijpen dat je er niet vetter van werd. Op de dag na Pasen gingen we ’s avonds weer zoals gewoonlijk met de trein terug, toen de trein stopte voor het gevaar van Amerikaanse jagers. Wij allen de trein uit, en een goed heenkomen gezocht, langs de weg waren overal gaten gegraven, dus daar kropen we in. Het was hoogtijd ook, want de jagers kwamen al over ons heen, en kletterden met de mitrailleurs. In een ogenblik hadden ze de locomotief en voorste wagon doorzeefd.

Ook waren er bommen geworpen op Nordhausen en omstreken. De trein was kapot, dus konden we naar huis lopen die avond. Geen bezwaar, hongerige mensen kunnen er tegen. De andere morgen, de 4de april konden we niet naar ons oude werk, want de treinen waren merendeels kapot. Zo moesten we dan, met een Duitse voorman erbij, de stad in, om op de daken bij de burgers dakpannen weer op orde te brengen, die bij het bombardement van de vorige middag danig van hun plaats waren gewaaid. Het was een uur of 10 in de morgen, toen de Amerikaanse vliegers weer kwamen opdagen.

Eerst kwamen de jagers die het station onder vuur namen, en 5 min. later de zware bommenwerpers. Het werd een vreeslijk bombardement. Wij bevonden ons ongeveer tussen het vliegveld en het station. We stonden met 4 Hollanders in een kelder, met nog een Duitse man en vrouw, te sidderen van het ontzettende lawaai, veroorzaakt door de bommen. Binnen een half uur was de gehele binnenstad vernietigd. Het huis, waar wij onderzaten, stond gelukkig nog overeind, en wij hadden het er best afgebracht. Alles brandde, en wij gingen, toen alles veilig was, op weg naar het lager, want daken repareren had geen zin meer. Onderweg kwamen we echter een Hollander tegen, die eigenlijk verbindingsman was, tussen ons en de Duitsers. Deze stuurde ons naar het kantoor van de werkleiding, en zo deden we dan ook. Op het kantoor hebben we ons gemeld, en we kregen al gauw te horen, dat we ’s middags weer de stad in moesten, om hulp te bieden aan de bevolking, om mensen van onder het puin te halen. ’s Middags echter, zouden we er al gauw achter komen, waar het de heren Duitsers om te doen was. Met 17 Hollanders trokken we ’s middags de stad in, met een handkar bij ons, om de buit op te laden voor onze baas, de Bauleiter. De stad brandde lustig, en door een gedeelte, dat helemaal plat lag kwamen we in een paar straten, waar nog wel wat te redden viel. Eerst moesten proberen een kelder van puin vrij te maken, want volgens een man zaten daar nog 17 mensen in. Het was echter niet mogelijk, het werk daar lang vol te houden want we stikten er bijna van de rook. Ook waren we voortdurend nog in gevaar, want geregeld ontploften nog blindgangers in het rond. Dit werk werd al spoedig opgegeven, daar volgens een dokter de mensen in de kelder toch al lang gestikt zouden zijn. Toen nog maar wat goederen gered uit de brandende huizen. Balen meel, dozen zeep, maar vooral kisten met sterke drank werden in een luxe wagen geladen en naar buiten de stad gebracht, want er was nog ene weg vrij, zij het dan ook dat wij de auto moesten voortduwen door het puin, dat hier en daar op de straat lag. Zo ging het tegen de avond weer naar huis, en onze Bauleiter, en één van de werkbazen zorgden wel, dat ze hun portie hadden. Wij konden dit voor ze thuisbrengen, en wonder boven wonder, wij kregen de man een schaaltje havermout en een paar stukjes zeep. Dat was de beloning voor ons levensgevaarlijke werk. De andere morgen hoefden we niet meer te werken, het werd te gevaarlijk met de vliegtuigen. Wel gingen velen van ons de stad in, om hier en daar te helpen, maar de Groene Politie schoot er lustig op los. Maar de hoger was na die tijd voorbij, de meesten kwamen met levensmiddelen uit de stad in het lager, en er werd gekookt en gebakken dat het een lust was, maar er werd helaas ook gestolen van elkaar.

Op de avond van de 5de april stelden de Amerikanen, door middel van strooibiljetten een ultimatum aan de Duitse bevolking. Alle verdere verzet zou slechts de verliezen onder de burgerbevolking vermeerderen. Maar aan Duitse zijde werd hierop niet ingegaan, de burgemeester wilde door te capituleren verder bloedvergieten voorkomen, maar de SS verhinderde dit. De bevrijding was nu echter maar een kwestie van dagen meer.

Op de avond van de 10e april waren de Amerikaanse pantserspitsen in een dorpje slechts 3 km van het onze vandaan en nog dezelfde avond 11 uur kwamen ze ook nog met enkele tanks in ons dorpje Klein Weither. Wij wachten rustig de volgende dag af, en toen het dag was geworden, konden we onze ogen haast niet geloven. Het hele dorp stond stampvol met grote en kleine Amerikaanse tanks. Wij waren de koning te rijk, vrij te zijn, het was weer eens fijn een andere taal te horen spreken dan het Duitse geschreeuw, al konden we er dan niets van verstaan. De Amerikaanse soldaten gaven ons zeep, chocolade en sigaretten, maar voor eten moesten we maar naar de Duitse bevolking gaan, want voor zovelen hadden zij niet in voorraad. En dat hebben we dan ook gedaan in de volgende weken. De Duitse burgers durfden ons niet meer te weigeren eten te geven. De eerst volgende dagen was het op de hoofdwegen bijna niet mogelijk over te steken. De Amerikanen trokken met een enorm leger door het Harzgebergte. Tanks, grote en kleine legerwagens en de kleine jeeps reden met grote snelheid in eindeloze rijen voorbij naar het einddoel “Berlijn”. Tegenstand ontmoetten zij bijna niet en wij hebben dan ook geen gevechtshandelingen meegemaakt. Voor ons was het nu slechts wachten op de terugkeer naar het Vaderland. Onze tijd brachten we nu door (want werken hoefden we niet) met slapen en ons eigen kostje opscharrelen. En verder, gingen we kijken naar het voorbij trekkende Amerikaanse leger en dan hadden we nog een andere bezigheid, het vangen van luizen. Het mooie warme voorjaarsweer waren zij in grote getale in het lager tevoorschijn gekomen en het werd een ware luizenplaag. Onze kleren die we nu zelf moesten wassen omdat de wasserij in de stad door bommen was vernield. Zaten vol met luizen. De kleren had je ze twee dagen aan, zaten ze weer vol met ongedierte. Het is te begrijpen dat we dit leven ook weer moe werden. Maar na 5 weken wachten werden alle buitenlanders in de omtrek te zaamgebracht. In een lager te Niedersachswerfen werden we gebracht en daar waren toen ± 18000 buitenlanders, meest Russen en Polen tezamen.

Op Pinksteren (21 mei) werden wij Hollanders met een dertigtal vrachtauto’s op één dag naar Koblenz a/d Rijn vervoerd. Het was een mooie tocht door het Duitse land, met grote snelheid door de bergen. Te Koblenz werden we boven op de berg in kazernes onder gebracht en vandaar hadden we een prachtig gezicht naar beneden op de Rijn. Een dag of vier hebben we te Koblenz doorgebracht en we werden door de Repatriëring geregeld behoorlijk gevoed. Toen ging het weer verder met de trein via Bonn en Aken, steden die eigenlijk puinvelden zijn, de grens over naar Maastricht. Zodra we over de grens waren, werden we toegewuifd door de bevolking en we haalden weer ruim adem, dat we weer in eigen land waren gearriveerd. In Maastricht werden we in een school ondergebracht. Hier heerste stipte orde en we werden dan ook prima verzorgd en gevoed. Na een paar dagen werden we ontluisd, gekeurd en getest, (dit is het verhoor voor het politiek onderzoek). Toen dit alles was afgelopen zijn we ondergebracht in een tegelfabriek en we mochten vrij de stad in. Maastricht is een mooi stadje en het heeft niet veel gelden van de oorlog. Maar het wachten werden we moe, en met 200 Flakkeeënaars werd op eigen gelegenheid een schip gehuurd en zo ging het weer op weg naar huis, naar Flakkee.

Zo konden we dwars door Brabant komen er getuige van zijn dat de oorlog ook in Nederland grote schade had aangericht. Na een tochtje van drie dagen en onderweg werden we overal door de bevolking toegewuifd, kwamen we in de nacht 2 op 3 juni te Middelharnis aan en kon ieder zijn tocht naar huis voortzetten. Waar men natuurlijk met vreugde werd ontvangen. Dit was het einde van mijn avontuur, dat gelukkig maar vijf maanden heeft geduurd.