Dhr. L. Visser (verhaal 1)

De  bekende heer Laurens Visser uit Stellendam, in leven o.a. wethouder, brandweer-commandant en boer deed ons het volgende interessante verhaal.
In het begin van de oorlog lag hier ook nog een afdeling Kriegsmarine. De vissers mochten nog vissen, zij het onder beperking. Men mocht maar een zekere afstand uit de kust en er ging een Duitser mee aan boord. Later werd de haven helemaal afgesloten. De bunkers aan de Nieuwe Weg maakten deel uit van de zogenaamde  “Egelstelling”. Dat betekende dat de hele kop van het eiland, dus Ouddorp, Goedereede en Stellendam een stelling vormden, die naar alle kanten verdedigbaar was. De vele bunkers in de duinen van Ouddorp maakten deel uit van de Atlantikwall. De achterkant van deze stelling werd gevormd door een mijnenveld dwars over het eiland, daar waar het eiland het smalst is. Ongeveer ter hoogte van de boerderij van Biemond. Op de dijk naar Stellendam toe, bij Van de Vugt had men een zogenaamde Tobroekstelling gebouwd. Dat was een soort kleine bunker met een mitrailleuropstelling. Deze was dikwijls bemand door Armenen. In Stellendam lagen toch wel zo’n twee honderd man bezetting, waaronder ook Grenzpolizei, die in een huis aan het begin van de Voorstraat lagen. Op die manier dacht men een aanval van parachutisten in de rug te kunnen voorkomen. Als boer kon men ontheffing krijgen van het inleveren van je fiets. Ook een aantal andere beroepen gaf recht op het behoud van dit gewaardeerde vervoermiddel, o.a. kraamverzorgsters, dokters enz.

Verder werd je als boer gedwongen om paarden en wagens beschikbaar te stellen, en meestal met een voerman. Je moest dan voor de Wehrmacht vrachten vervoeren. Zelf moest ik zo een keer kolen vervoeren, onder toezicht van een paar Italianen, die ook aan de Duitse kant vochten. Het was avond en ze stelden voor om de vracht in de schuur te zetten en de volgende ochtend weer verder te gaan. Gelijk maakten ze een “roeibeweging”. Ik heb dat maar in mijn voordeel uitgelegd en heb een voorraadje kolen voor onszelf eraf gehaald. Ook werd je gedwongen om aardappelen, maar ook suikerbieten te leveren.
Omdat de hele omgeving hier was veranderd in een mijnenveld, moest het vee ergens anders heengebracht worden. Bovendien stond een groot deel van het eiland onder water. Met de tram werden de koeien naar Middelharnis gebracht en dan verder over de dijken naar Ooltgensplaat, bij van Rossum. Natuurlijk moest je dan ook weer een vergunning hebben, compleet met stempels en handtekening. De ondertekenaar was Van der Wedden, een beruchte naam in die tijd! De Duitse helft werd ondertekend door luitenant Langhärig uit Middelharnis.

Toen de Duitsers in de gaten kregen dat het niet goed ging met hun “Krieg”, probeerden ze in een laatste wanhopige poging de oprukkende geallieerde legers te stoppen. Op 16 december 1944 begonnen ze het Ardennenoffensief. In die tijd zat het eiland vol Duitsers, tot negen duizend toe! Alle beschikbare krachten werden ingezet, tot kinderen van veertien jaar toe. Door middel van razzia’s werden alle mannen van zeventien tot veertig jaar opgepakt, o.a. in Den Haag en Rotterdam, maar ook op het eiland. Ook uit Stellendam werden mannen weggevoerd. Eerst kwamen ze achter het prikkeldraad terecht bij de bunkers aan de Nieuwe Weg, daarna met het trammetje naar Middelharnis. Met rijnaken werd de reis naar Kampen gemaakt op een hoogst oncomfortabele wijze. In Kampen zag ik kans om te ontsnappen. Terwijl de schildwacht zijn ronde liep, zag ik kans aan de andere kant me uit de voeten te maken. Maar toen begon het pas! Kampen en Goeree Overflakkee liggen een heel eind uit elkaar. Een paar meisjes boden hulp aan. Ik kwam terecht in het gezin van een kleermaker en vandaar in Oosterwolde. Daar zorgden die meisjes ervoor dat ik via de ondergrondse een bewijs van afkeuring kreeg met een stempel en een handtekening van een arts. Daarmee kon ik op weg naar huis, op mijn klompen!

Onderweg liepen veel mensen die op voedsel uit waren geweest. Kinderen bezweken onderweg van ellende. Mijn eerste logeeradres was in Soestdijk, bij familie. Daarna ging het naar aannemer Maarten van Herk in Nieuwerkerk aan de IJssel. In Rotterdam moest ik een vergunning halen om naar Goeree Overflakkee te mogen reizen. Onderweg ontmoette ik ook nog Willem de Jager. De reddingsboot lag toen niet hier in de haven ,maar ergens in het Voornse Kanaal. Deze is nog verschillende keren ingezet om piloten op te halen van neergestorte vliegtuigen in het Haringvliet. Met schipper De Korte uit Herkingen kon ik naar Middelharnis meevaren.

De schildwacht in de stelling hier op de dijk herkende me. Ik zei maar dat ik uit Duitsland kwam en naar huis ging. Ik kwam ’s nachts thuis aan. Toen ik op het raam klopte, kwamen twee Duitsers naar de deur, later ook mijn ouders. Enkele jaren terug stopte er een auto voor de deur. Een Duitser vroeg aan mijn zoon of “Bauer Fischer” hier nog woonde. Het bleek dezelfde Duitser te zijn die ’s nachts open gedaan had!
Graag had ik nog eens contact gehad met die meisjes die me geholpen hebben. De ene heette Veldman. Dat is me niet gelukt. Het enige wat ik kon doen, was een zak aardappelen naar een broer van haar sturen in Rotterdam. Dat had ze gevraagd, omdat die honger hadden. Later kreeg ik er nog een bedankje voor, het was dus goed aangekomen.

Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ‘ Bezet, Belaagd, Bevrijd’.