Dhr. B. keizer Thz.

Ik werkte in die tijd bij mijn oom, Jan Mijnders, die land had langs de buitendijk. Zodoende kwamen we nog wel eens op het gors. Van alles spoelde er aan: mijnen, brandbommen, hout om te stoken enz. Als er wat bijzonders was, meldde ik dat aan de politie, Vosje. Ik heb ook die Engelse piloot, die in october 1941 aanspoelde bij Van den Broek, gezien. Stratton heette die, hij werd begraven op het kerkhof in Melissant en later herbegraven in Bergen op Zoom. Ook spoelden er eens stukken “kaarsvet” aan. Toen Vosje zag dat ik dat gevonden had, wilde hij er ook wel wat van hebben. Je kon daar goed drijvertjes van maken, voor verlichting. Eigenlijk mocht je niet op het gors komen, maar ik kon goed met Vosje opschieten. Ook tinnetjes sigaretten (Players) en zakjes thee werden soms door vliegtuigen uitgegooid.

Ik was een jaar of vijftien, toen ik met een oud zaagje van mijn vader om weermachtpalen ging in Oud Melissant. Ik zaagde ze altijd in vier stukken, het onderste deel bleef in de grond zitten. Op zeker moment was onze brandstof op, mijn vader en moeder waren allebei ziek. Ik zei: “Vanavond als het donker is ga ik om hout om te stoken”. Nu gingen we nooit in de directe omgeving aan de slag, maar altijd een stuk uit de buurt. Ik ging dus langs de boerderij van G. van der Baan, onder de buitendijk mijn slag slaan. Voordeel was dat je daar nooit moffen zag. Je moest wel een eind met dat hout op je rug terug ploeteren door de modder, midden in de nacht. Je had dan weer voor een dag of wat brandstof, daarna moest je er weer op uit.
Als je Duitsers hoorde, waren die meestal uit Herkingen afkomstig. Daar zat de Grenzschütz. In Melissant zaten er alleen moffen op Stelle. Het waren oudere mannen, niet de moeilijkste. Ze hadden daar een soort waarnemingspost, waarmee ze vliegtuigen konden signaleren boven de Grevelingen die op weg waren naar Hamburg enz. Flakkee lag precies op de route. Formaties van honderd was geen zeldzaamheid. Het was een prachtig gezicht! Als we in het land werkten moest ik ze altijd tellen. Later kwamen de z.g. “vliegende forten”.

Op het gors wat nu de slikken van Flakkee heet, is in de nieuwjaarsnacht van 1945 ook een Duitse Messerschmitt neergekomen. Het Ardennenoffensief was in volle gang. Het verhaal ging, dat Duitsers onder invloed van een stevige nieuwjaarsborrel op hun eigen vliegtuigen hadden geschoten. De piloot kwam in ieder geval om. Simon ’t Jonk en Jan den Ouden hebben de piloot op een stuk vleugel opgehaald. Later zijn mijn kameraad, Adrie Robijn en ik er dikwijls geweest. Er was van alles te vinden, al was het wel in het slik geslagen. De motor lag er een eindje vandaan. We sloopten er van alles vanaf, plexiglas, munitiebanden, een lichtkogelpistool enz. Waar het allemaal gebleven is weet ik niet meer. Als ik ging vissen in het geul, kwam ik er ook altijd langs. Langzamerhand verdween alles onder het slik.

Ook de razzia herinner ik me nog goed. Ik was weliswaar nog beneden de leeftijd, maar de geruchten gingen dat ze het niet zo nauw namen met die leeftijd. Ik heb me daarom drie dagen verborgen gehouden op het gors. Daar wist ik blindelings de weg tussen de kreken. Het was mistig en koud, ’t was december 1944. ’s Nachts bleef ik thuis en ‘s morgens ging ik vroeg weg, hoewel ze er op aandrongen om me te melden, onder bedreigingen van de moffen. Ook in de Diederikse polder hoorde ik mensen praten die daar waren weggekropen. Ik heb ook nooit voor de Duitsers gewerkt.

Op zeker ogenblik werkte ik bij Heestermans, voederbieten rooien met een heel groepje. Toen we zaten te eten rook ik een benzinelucht, de anderen hadden er geen erg in. Toen het ’s nachts een keer stormde, zag ik de andere morgen dat er onder de stroklamp een auto verborgen was. Door de wind was een deel van de camouflage  weggewaaid. ”Denk erom, niet tegen iemand vertellen wat je gezien hebt, als de Balbo het weet, verraad hij me,” zei Heestermans. Met een paar mensen hebben we de zaak weer onder gedekt.

Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ‘ Bezet, Belaagd, Bevrijd’.