Dhr. A. van Rossum

Ook wij hadden te maken met de bekende problemen in de oorlog. Een medewerker, Krijn van der Bok, die in die tijd bij ons werkte, moesten we maandenlang afstaan, omdat hij gedwongen voor de Duitsers moest rijden met paard en wagen in Ouddorp in verband met de bunkerbouw. Ook werden we gedwongen bepaalde gewassen te telen zoals koolzaad.Ook heb ik een keer de paarden weg moeten brengen naar het Westland. Omdat ik dezelfde dag niet terug kon naar Goeree Overflakkee ben ik naar Delft gegaan, waar ik bij de familie Vlasblom geslapen heb. Mijn broer lag daar in de kost, zodoende kenden wij die familie. De andere dag ben ik naar huis gereisd. Na de oorlog werd verteld dat de Duitser die met de paarden moest werken, er niet goed mee om kon gaan. Paarden zijn daar erg gevoelig voor, zodat ze in het water terecht kwamen en verdronken. Onze buren , de familie Van Seters, hebben veel illegaal werk gedaan. Op zeker ogenblik moesten de ouders van de boerderij vertrekken omdat het te gevaarlijk werd. Ze hebben toen eerst nog een nacht bij ons geslapen, maar dat was toch te dicht in de buurt. De andere ochtend kwam Ras een voer hooi laden, waar ze een ruimte onder het hooi gelaten hadden, waar de twee mensen konden zitten. In de buurt van Middelharnis werden ze staande gehouden door een Duitser die vroeg of hij mee mocht rijden. Natuurlijk, was het antwoord, kom maar bij me zitten. Zo hebben ze hun weg vervolgd, met die Duitser op de bok ! Ze werden daarna naar het geïnundeerde gebied gebracht waar ze nog maanden hebben gewoond. Mijn broer Henk (Ir. H. van Rossum) kwam er wel eens, die mocht in het natte gebied komen in verband met zijn werk.

Ondanks dat we in de landbouw werkzaam waren, kregen ik geen vrijstelling bij de razzia van december 1944. Mijn broer Henk kreeg vrijstelling in Middelharnis, omdat hij werkzaam was bij de dienst herstel landbouwgronden. De reis via Middelharnis-haven naar Rotterdam, Amsterdam, Kampen was bepaald geen pretje. Een rijnaak is nu eenmaal  niet het meest geëigende middel om mensen te vervoeren. In Kampen kreeg ik wel een vrijstellingsbewijs, maar dat zag er zo onbetrouwbaar uit dat ik het, mede op advies van Han de Lignie, niet durfde gebruiken. Dat was je leven in gevaar begeven!
De reis ging verder met de trein Duitsland in, waarbij we het geluk hadden dat er nog ramen in de trein zaten. Dat was niet vanzelfsprekend! Ik zat in een groep met Dirkslanders, Herkenaars, Stellendammers en een paar man uit Rotterdam. Bij Osnabrück  gingen we de grens over met als eindbestemming Nordhausen, toen wisten we pas waar we waren! Het was toen zondagmorgen, 31 december 1944. Dezelfde dag moesten we weer verder trekken, nu naar onze bestemming Wallhausen. In een groot oud gebouw hotel” Ratskeller”  kregen we een kamer toegewezen. We moesten aan de spoorweg werken. Die Rotterdammers zagen kans om zo weinig mogelijk te doen. Een oudere Duitse voorman gaf de een pikhouweel, de ander een schop, de ander een riek, zo had hij vijf man om zich heen staan die steeds gereedschap aan moesten geven. Hijzelf werkte als een paard, de Rotterdammers deden niets !
Verschillende keren zijn we duidelijk bewaard gebleven. Bij een van de bombardementen viel er een bom op een huis op tien meter afstand van ons. Er was niets meer van over!

Na het einde van het bombardement ging men puin ruimen. Op zeker ogenblik kwam er iemand die zei:” Jullie gooien de verkeerde kant op met het puin, hij zat altijd aan de andere kant”. Ze hadden een kwartier puin staan gooien op de plaats waar die man onder het puin lag. Nadat ze in tegenovergestelde richting gewerkt hadden, kwam de man er levend vanonder! Zijn ogen zaten vol gruis, maar hij leefde. De “Ratskeller” was een gebouw met zware, ronde togen, een sterk gebouw. Menselijkerwijs gesproken is dat onze redding geweest, al moeten we gelijk zeggen dat we bewaard gebleven zijn.
Stoffel Keijzer uit Stellendam raakte door dat bombardement zijn been kwijt. Er werden drie man opgeroepen om bloed te geven in Sangerhausen, maar ik had de goede bloedgroep. Dat ging nogal Spartaans toe. Het bloed werd rechtstreeks overgepompt van de een in de ander terwijl ik naast het bed zat. Voor de ontvanger was dat een pijnlijke aangelegenheid.

Aan het spoor moesten we wissels ontdooien. Op een soort brug stond een Duitser die de nummers afriep van de wissels die wij moesten ontdooien. Op zeker ogenblik kwam er ’s nachts een trein binnen met allemaal vrouwen en kinderen die gevlucht waren uit het oosten voor de Russen. Wij moesten helpen. Daar stond ik ’s nachts met een klein kind op mijn arm! Ik had wel bewondering voor die vrouwen, die waren heel flink! De mannen waren natuurlijk aan het front en ze stonden er dikwijls alleen voor onder moeilijke omstandigheden.  In vergelijking met anderen, hadden wij het nog redelijk. We hadden wel honger, maar toch niet zo erg als anderen. Paul de Jong, Koos de Zout en een Rotterdammer zagen door hun werk nog wel eens kans om wat aardappelen te kopen. Bovendien hadden we in meester Triemstra een goede Lagerführer. Hij was reserveofficier geweest en sprak ook Duits hetgeen een voordeel was. De groep accepteerde dat hij leiding gaf, al was ik het niet altijd met hem eens. In de gegeven omstandigheden deed hij het heel goed. Het was natuurlijk ook  geen benijdenswaardig baantje. Je stond altijd tussen twee vuren; enerzijds de Duitsers en anderzijds de groep. Andere lagers waren smerig met alle gevolgen van dien zoals diarree enz. Bij ons was het niet schoon! Maar dat is nog wat anders dan vies! Later moesten we in Nordhausen werken, eerst in een grindmijn. Daar moesten we grind en zand uitspoelen zodat het grind overbleef. Dat werd weer gebruikt aan de spoorwegen om bielzen in te leggen. Later moesten we ook helpen spoorwegen aan te leggen. Ik moest daarbij met het waterpas werken, dat viel nogal mee, daar werd je niet moe van.

Het was inmiddels 3 april geworden, een dag die begon met regen. Later klaarde het op en gingen we verder met het werk. Ab van Welie zei: “Het is nog geen avond”! bovendien herhaalde hij dat wel een keer of vier. In de loop van de middag kwamen de vliegtuigen weer over, maar nu gooiden ze z.g. kerstbomen uit. Dat waren een soort granaten die als vuurwerk uit elkaar spatten. Daarmee markeerden de geallieerden het terrein waar ze gingen bombarderen. Eerst zijn we in een grindgat gaan liggen, maar een kleermaker uit Oudenbosch zei: “Als ze gaan bombarderen zijn we hier niet veilig, we moeten weg hier!”
Met zo’n dertig man zijn we gaan lopen, richting Wallhausen. Drie man bleven er liggen, waarvan er twee zijn gesneuveld. A. Markwat is wel gewond geraakt, maar bracht het er levend af. Ook toen zijn we duidelijk bewaard gebleven. Gevolg van het bombardement was wel dat er geen trein meer reed, zodat we 30 km. terug moesten lopen naar Wallhausen. ’s Morgens om half vier kwamen we aan!
Ik zag op een plaats wel zeven kapot geschoten locomotieven staan. Dat was trouwens een mooi gezicht als een locomotief kapot werd geschoten. De stoom ontsnapte dan met luid gesis. De machinist lag tijdens de beschieting meestal in de slootkant. Overdag was vervoer bijna niet mogelijk.
Toen de geallieerden in aantocht waren, wilden ze ons verder naar het oosten transporteren. Bij een boer zijn we ondergedoken en hebben onder een afdak geslapen.
De andere morgen toen het licht werd, zagen we tegen de glooiende heuvels de eerste Amerikaanse tanks opkruipen. Een schitterend en onvergetelijk gezicht was dat! Ze waren ’s nachts gekomen en waaierden nu uit over de breedte, ondanks wat armzalige versperringen in de vorm van stenen, bomen enz. Ze waren er gewoon omheen gereden en trokken met twintig breed in de richting die ze wilden. De andere dag was een bulldozer de rommel al aan het opruimen. De wegkanten lagen vol kabels voor de verbindingen en overal verschenen bordjes met aanwijzingen. De vrachtwagens hadden een breed stuk zeil achter de cabine gespannen, dat iedere dag een andere kleur had. Op die manier konden vliegtuigen zien dat ze met eigen troepen te maken hadden.
Op zeker moment moesten we verzamelen in het nabij gelegen kamp ” Dora”. Dat was een zeer berucht concentratiekamp waar, in ondergrondse tunnels, de bekende V-1’s gemaakt werden. De omstandigheden waaronder de mensen hier moesten werken waren zeer slecht, hetgeen duizenden mensen het leven kostte. Ook toen de Amerikanen kwamen stierven er nog tientallen mensen per dag. Ze konden het overvloedige eten niet meer verdragen. De slachtoffers lagen nog op hun kribben toen wij er kwamen. Na veel omzwervingen zijn we van hieruit naar huis vervoerd.

Omdat  de plaatsen waar het hier over ging na de oorlog in Oost-Duitsland lagen, was het niet mogelijk  er een bezoek te brengen. Dat werd anders na de “Wende”, toen het ijzeren gordijn verdween. In  1999  ben ik er weer een keer geweest. Ik had nog wel contact gehad met een “Schwester” die  hielp in de ziekenbarak  toen wij daar waren. Het was een hartelijke Duitse vrouw, die goed voor ons was.  Toen we daar kwamen, was er niets meer terug te vinden, de mensen wisten ons niets te vertellen. Tot de bakkersvrouw  ons naar de burgemeester verwees. Die verwees naar een ambtenaar. Het ging er nogal Duits naar toe maar nadat ik verteld had wie ik was en wat de bedoeling was, werd hij wat opener en riep de streekarchivaris op. Die kwam met zijn Japanner en reed ons rond naar de plaatsen waar we gelegen hadden. Er was nog van alles terug te vinden. Wat echter opviel was dat er geen enkel monument voor de 70 gevallen burgerslachtoffers te vinden was. Later kwam aan het licht dat de oorzaak lag in de komst van de Russen, na de bevrijding. Die stelden hier geen prijs op. Ook in Eisleben zijn we nog geweest, een prachtige historische stad !

Drie maanden na mijn bezoek, kreeg ik een brief van die archivaris. Hij had gezocht naar gegevens over die tijd maar niets gevonden. Vraag was of ik een en ander wilde opschrijven want de mensen wilden er niet over praten. Ik heb toen wat kopieën gemaakt met een brief erbij in het Nederlands,  met daarbij vermeld dat er 100 studenten waren die Nederlands studeerden, die wel konden vertalen. Twee maanden later belt er een mevrouw op die vertelde dat ze mijn verhaal aan het vertalen was. Er waren bijeenkomsten met burgers van dat stadje, waar het verhaal voorgelezen werd. Men vond het enerzijds interessant, soms ook wel belastend hoewel er geen namen genoemd werden. Die vrouw kwam oorspronkelijk uit Etten-Leur, waar haar vader een fruitbedrijf had. Haar man was een Duitser die door het ijzeren gordijn gevlucht was, in Noorwegen  terechtgekomen was, vandaar naar Engeland getrokken waar hij deze vrouw ontmoet had en met haar getrouwd was. Later zijn ze weer naar Duitsland getrokken, toen het weer kon. Ze is ook hier in Dirksland geweest en omgekeerd heeft ze ons ook uitgenodigd. Ze heeft zelf een chalet, waar we gebruik van mochten maken. Dat is er niet van gekomen!