Herinneringen van Aart Hoek, geboren 1912, te Goedereede.

De kop van het eiland werd nogal eens gebombardeerd. In de duinen stond veel artillerie. Je kon tijdens een beschieting niet veel meer doen dan in de gang tegen de muur gaan staan. Een bom op ons land veroorzaakte een gat waar 75 voer grond in ging! Ook wij moesten veel voor de Duitsers rijden: wapens, munitie, cement enz. Drie dagen per week moesten we beschikbaar zijn. Bij het Goereese hoofd stond een grote bunker met wanden en een dak van 3 meter dik. Daar zaten 18.000 balen cement in! Later was die bijna niet kapot te krijgen. Uit Goedereede mochten ze in het laatste jaar van de oorlog niet meer rijden i.v.m. de tyfusepidemie; wij zaten in de Oostdijk, dus mochten wel ingezet worden. Meestal reed je ’s nachts, dat was het veiligst. Je kreeg een paar soldaten mee op de wagen om de zaak in de gaten te houden. Ook aardappelen moesten we halen bij een boer in Melissant. Ook gingen we weermachtpalen halen op het strand die uitgespoeld waren. Je moest dan door het mijnenveld heen. Dat was geen bezwaar, want ik kende de weg net zo goed als de Duitsers. Op ongeveer 5 centimeter boven de grond spanden ze een draad. Als je in het donker met je voet daar langs ging was er niets aan de hand. Tot wel vier rijen palen stonden er, met op de buitenste rij mijnen op de koppen. Als er paarden bij waren, moest je 40 à 50 meter uit de buurt blijven. De dreun van de hoeven kon zo’n mijn doen exploderen. Terwijl je bezig was, scheerden de Engelsen soms rakelings over het strand! In sommige stukken land zaten helemaal geen mijnen maar stukken ijzer; dat was om je bang te maken. Een stuk land was met koolzaad gezaaid. De Hauptmann (kapitein) wilde dat ik het ging dorsen. Ik zou de helft van de olie krijgen. Ik weigerde aanvankelijk omdat er mijnen lagen. Maar volgens die Hauptmann was dat helemaal niet waar. Ik kreeg een soldaat bij me die moest controleren als ik dorste. In die tijd deden we dat op een z.g. geselpaard. Op een betonplaat werd het gewas uitgeslagen. Het koolzaad viel voor het geselpaard en het kaf vloog weg. De soldaat gaf mij uit eigen beweging het beste deel, het mindere was voor de Hauptmann. Die klaagde dat er zo weinig olie in zat.(Hij stuurde dat naar zijn vrouw in Duitsland). Ik zei maar dat de oorzaak was, dat er geen kunstmest op gestrooid was. Mijn vader moest ook een kustlicht bedienen. Het staat er nog steeds trouwens. Het werkte op blauwgas. Met behulp van verschillende kleuren glas, groen, rood enz. konden hiermee seinen gegeven worden naar de Duitse Schnellboten die in Hellevoetsluis lagen om het Goereese gat binnen te komen. Omdat het blauwgas niet meer te krijgen was in de oorlog, ging men over op propaangas. Het nadeel hiervan was dat bij het verbranden hiervan veel vocht vrij kwam. Die droppels kwamen precies op het vlammetje, dat daardoor uit ging. Op zekere dag stonden hier een man of zeven op het erf, waaronder de commandant van Hoek van Holland, een Schout bij nacht! Het licht was uit gegaan en wij werden van sabotage verdacht. Met een kap tegen de wind over het geheel werd het licht weer aangestoken. Het brandde weer! De verdenking werd al sterker. Maar vader zei: “Nog even blijven staan “! En jawel, weer een druppel, die het vlammetje deed doven! Toen was het bewijs geleverd! Het licht brandde niet. De boten moesten daardoor buiten blijven liggen. Ze werden toen door de Engelsen de grond ingeboord!

Bij buren van ons, 200 meter verder, waren op zekere dag hammen gestolen. Bovendien hadden ze een gans voor bewaking. Je kun geen betere hond hebben! De Duitse kok en een soldaat wilden die gans meenemen voor zijn vrouw als ze op verlof gingen. De Duitse politie kwam de zaak uitzoeken. Via voetafdrukken in het zand kwam de dader boven water. Nu was de commandant van het afweer in het burgerleven rechter! ’s Morgens gebeurde het en ’s middags gingen ze gepakt en gezakt naar het front in plaats van met verlof!
Ook kwamen ze veel om drinkwater bij ons, omdat ons water was goedgekeurd. Zodoende kenden we veel soldaten.

Mijn broer is in Oraniënburg gebleven. Een inspecteur van politie uit Eindhoven bracht het bericht dat Hans was gestorven aan dysenterie. Ze werden voor de Russen uit getransporteerd maar werden later door hen ingehaald. Door de Russen was hij goed behandeld. Een officieel overlijdensbericht hebben we nooit ontvangen! Mijn moeder liet de deur altijd open ’s nachts. Ze dacht en hoopte dat hij nog terug zou komen. Hij was 24 jaar oud toen hij overleed. De reden dat hij was opgepakt was, dat hij in het verzet zat en o.a. bonkaarten achter hield ten behoeve van de ondergrondse. Ook verrichtte hij koeriersdiensten. Hij werd naar het Haagse Veer gebracht in Rotterdam. Wij mochten wel schone kleren bij hem brengen, maar kregen hem niet te zien! Wel wist hij dat we er waren, we kregen de groeten van hem. Mijn broer, die opperwachtmeester bij de politie was in Vlodrop, werd na de oorlog geconfronteerd met de man die mijn broer had weggebracht!

Met dank aan Dhr. G.S. Both voor het beschikbaar stellen van dit artikel uit zijn boek ‘ Bezet, Belaagd, Bevrijd’.