9-7-1943

Het voorval
“Dat gaat niet goed….” waren volgens Hoogzand (“Blijvend gedenken”) de woorden van de familie Van den Bosch uit Melissant op 9 juli 1943. Op die dag, waarop onwetend voor de hooiers vèr naar het zuiden de invasie van Sicilië was begonnen met chaotische Amerikaanse en Engelse parachutelandingen, waren zij aan het hooien op de Kraaijenissedijk. De familie riep deze woorden toen zij vlak over hun hoofden een gevechtsvliegtuig over zagen vliegen die duidelijk in moeilijkheden verkeerde. Seconden later viel het toestel met een doffe klap op het bouwland van de heer J. Buth. De door de familie spontaan aangeboden hulp werd bijzonder ‘hartelijk’ ontvangen….met het pistool in de aanslag! Het gecrashte toestel was een Duitse nachtjager en de piloot, hoewel gewond, stelde duidelijk geen prijs hulp.

De Duitse vlieger
De Duitse vlieger van dit toestel was Alfons Köster. Köster werd op 6 februari 1919 geboren in Hüingsen in Westfalen. Na zijn vliegeropleiding kwam hij in 1940 bij de Duitse Luchtmacht, de Luftwaffe, in dienst. Hij werd ingedeeld als operationeel jachtvlieger bij de derde Staffel (de Duitse versie van een squadron vliegtuigen), om precies te zijn het 3e Staffel der I./NJG2. Dit was een zogenaamd Nachtjagdgeschwader, een nachtjagereenheid. Deze eenheden hadden als symbool op het toestel een adelaar met bliksemschicht op een zwarte achtergrond. De eenheid van Köster vloog in de eerste maanden van de Tweede Wereldoorlog lange afstandsvluchten vanaf de basis Gilze-Rijen, ver het Engelse luchtruim in. Hier vielen zij, als een dief in de nacht, nietsvermoedende Engelse bommenwerpers vlak bij hun basis aan. Köster schoot daar in de vroege morgen van 10 april 1941 om 05:17 zijn eerste toestel neer, een Boulton Defiant boven het plaatsje Upwood in Engeland. De tactiek van de Duitsers was om in het holst van de nacht de van hun missie terugkerende bommenwerpers op te wachten op hun meest kwetsbare moment, namelijk vlak voor de landing op hun thuisbasis in East-Anglia. De bommenwerpers vielen op door hun silhouet tegen de kustlijn. Enkele andere toestellen die Köster boven Engeland neerhaalde waren o.a. op 8 mei 1941 om 00:22 uur, een Vickers Wellington nabij W. Southend en een dag later weer een Wellington om 23:58 uur nabij Mablethorpe. Op 12 juni 1941 om 02:07 uur vervolgens nog een Handley Page Hampden, NW van Londen. Aanvankelijk konden de Engelsen vrijwel niets uitbrengen tegen deze Duitse overvallen. Hun eigen defensieve nachtjagereenheden stonden nog in de kinderschoenen. Met de toen nog gebrekkige boordradar kon men uren rondvliegen in de donkere hemel boven Engeland zonder ook maar één vijandelijk toestel te ontmoeten.  Bijzonder feit hierbij is, dat deze Engelse nachtjagereenheden in belangrijke mate zijn opgebouwd en verbeterd dankzij de getalenteerde inspanningen van Richard C. Haine, de RAF vlieger die op 10 mei 1940 met zijn zwaar gehavende Bristol Blenheim een noodlanding moest maken op de slikken van Flakkee…..

Op 20 augustus 1941 was Köster al een van de meest succesvolle nachtjager-vliegers met 11 overwinningen op zijn naam. Hij kreeg daarvoor op die dag “den Ehrenpokal für besodere Leistungen im Luftkrieg” , uitgereikt, een erebokaal voor bijzondere verrichtingen in de luchtoorlog.
Eind 1941 werd zijn Gruppe verplaatst naar het gebied rond de Middelandse Zee. Hier kon Köster vier toestellen neerhalen in nachtoperaties en 1 tijdens dagoperaties. Op 4 mei 1942 werd hem het Duitse Kruis in Goud uitgereikt, het “Deutschen Kreuzes in Gold”. In de nacht van 21 op 22 juni 1942 keerde het geluk zich voor het eerst tegen Köster. Hij moest, na aangeschoten te zijn tijdens een luchtgevecht, een noodlanding maken in de woestijn. Terend op zijn noodrantsoen wist hij zich binnen anderhalve dag weer bij de Duitse troepen te voegen. Na 16 overwinningen werd hem op 29 oktober 1942 het Ridderkruis verleend, “das Ritterkreuz”. In het voorjaar van 1943 werd hij ingedeeld bij I./NJG 1. Het was bij deze Gruppe dat hij overdag testvluchten uitvoerde met de nieuwste radarapparatuur. Hierbij werd hij gedwongen tot de beschreven noodlanding op Goeree-Overflakkee. Het toestel waarmee hij de noodlanding maakte was een Bf-110 G2 nachtjager, met nummer 6220 G9 + BH. Köster raakte bij deze noodlanding licht gewond, zijn staartschutter, Herbert Biehne, bleef ongedeerd. De geheime radarapparatuur was ook de reden van het snelle handelen van de Duitse bezetter waarbij het gecrashte toestel binnen 4 uren werd weggehaald. In juli 1943, de maand waarin hij met zijn Bf-110 door een motorstoring de noodlanding maakte op Goeree-Overflakkee, was zijn Gruppe gestationeerd op de basis Parchim, in de huidige Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren. De inspanningen waren toen vooral gericht op defensieve acties tegen de immer toenemende stroom van Engelse bommenwerpers, direct naar het hart van Duitsland. In september 1943, inmiddels bevorderd tot officier, werd hij naar III./NJG 2 overgeplaatst. Daarna volgde nog plaatsing bij 9./NJG 2 en 12./NJG 3. Het geluk van Köster was echter op. In de nacht van 6 op 7 januari 1945 hing er lage mist boven zijn aanvliegroute naar de thuisbasis in Duitsland. Op zijn terugvlucht vloog hij te laag als gevolg van deze mist en boorde Köster zijn Junkers Ju-88 C-6 in het dak van een boerderij nabij Varel in Oldenburg. Köster en zijn beide bemanningsleden kwamen hierbij om het leven. Köster werd door de Luftwaffe postuum tot Hauptmann bevorderd.

Köster heeft in totaal 200 vluchten gemaakt waarbij hij 26 Engelse en Amerikaanse bommenwerpers heeft neergeschoten, 25 hiervan tijdens nachtelijke vluchten.

Het toestel van Köster
Het toestel waarmee Köster in juli 1943 vloog, was een Bf-110 (later aangeduid als Me-110), een tweemotorige jager met boordkanonnen in de neus. Dit toestel werd aanvankelijk, vooral tijdens de campagnes in Polen en Frankrijk, met succes ingezet. Tijdens de slag om Engeland in het najaar van 1940 bleek dat dit toestel door de beperkte manoeuvreerbaarheid niet opgewassen was tegen de Engelse Spitfires en Hurricanes. Meer succes had het als nachtjager waarbij er steeds geavanceerder radar in en op de neus werd aangebracht. Door zijn grote actieradius kon het toestel lang in de lucht blijven. Bijzonder is nog te vermelden hoe nachtvliegers als Köster naar hun nachtelijke doel werden geleid. Naast de ingebouwde eigen radar in het toestel, dat vooral bedoeld was voor de korte afstand, was vooral de lange afstandradar met de vluchtbegeleiding vanuit enkele centrale commandoposten bijzonder effectief. In de loop van de oorlog werd deze steeds geavanceerder in het fatale en bloedige nachtelijke kat & muis spel met de geallieerden. Het Nederlandse luchtruim was daarbij van bijzonder groot belang omdat vrijwel alle geallieerde bommenwerpers op hun weg naar Duitsland over of vlak langs Nederland via zogenaamde bomber-highways heen vlogen. Langs de kust van Nederland hadden de Duitsers drie zwaar geheime ondergrondse radar-geleidestations. Deze hadden de codenaam Tiger (bij Terschelling), Zander (bij Zandvoort) en Biber (bij Brielle-Oostvoorne). Bij de Biber stond lange-, middellange- en korte afstand radar-apparatuur. (Een Würzburg-Riese voor de korte afstand, twee Freya voor medium-afstand en een Klein-Heidelberg installatie en Wassermann ‘M’ voor de lange afstand). Om de Duitse vliegers hun positie te kunnen laten bepalen, stond er ook een aantal baken-systemen genaamd Adcock. In de Biber werden alle radarsignalen verzameld, verwerkt, de gegevens op grote lichttafels en kaarten geplot en weer uitgestuurd naar de nachtjagers zoals Köster. Vanuit de Biber is de gehele luchtoorlog gecoördineerd. Feitelijk is vanuit deze bunker geen schot gelost, doch zijn de acties vanuit deze radaropstelling verantwoordelijk voor het verlies van circa een derde van alle neergehaalde bommenwerpers. Dat zijn dan toch wel zo’n 2.000 toestellen.

De Biber is als enige van de drie commandobunkers nog aanwezig en inmiddels door de Historische Vereniging Westelijk Voorne opgeknapt en gedeeltelijk ingericht zoals die in de oorlogsjaren geweest moet zijn. Deze bunker is op afspraak te bezichtigen. De geallieerden hebben de bunker overigens nimmer ontdekt. Wellicht heeft ook Köster de ligging niet gekend hoewel hij hemelsbreed gezien ,er bijna bovenop lag na zijn crash op die 6e juli in 1943.

 

Bronnen:
– Ritterkreuzträger der Luftwaffe: Bd.1 Jagdflieger, Ernst Obermaier
– Luftwaffe Night Fighter Claims, John Foreman, Simon W. Parry, Johannes Matthews
– Blijvend gedenken, D. Hoogzand