5 april 1945

Het is rond half twee in de middag van 5 april 1945 als een aantal vliegtuigen, zeer laag vliegend vanuit oostelijke richting, boven het Havenhoofd van Middelharnis verschijnt. Het is een kleine groep Amerikaanse B-17 bommenwerpers van het 851st Bomb Squadron van de 490th Bomb Group die op deze gure dag noodgedwongen onder de bewolking vliegt. Het weer is namelijk dusdanig slecht dat van enige vorm van navigatie op grote hoogte geen sprake kan zijn, laat staan het vliegen in compacte formaties die hen bescherming biedt tegen de laatste Duitse jagers van de ooit zo machtige Luftwaffe.

Al snel wordt het de Amerikanen duidelijk dat ze niet vliegen boven het reeds bevrijde gedeelte van Nederland, aangezien de Duitse marineboten die zijn gelegen in de buitenhaven van Middelharnis, met alle middelen het vuur op hen opent. Eén van de vliegtuigen wordt geraakt, vliegt in brand en begint af te draaien in noordoostelijke richting. Wellicht probeert de piloot nog een noodlanding in te zetten in een veld ten noorden van Sommelsdijk of heeft hij de ernst van de situatie ingezien en een crash op het dorp zelf willen voorkomen. Het zal nooit bekend worden, want het Vliegende Fort stort luttele seconden later ter aarde op een perceel bouwland in de Weipolder. Na het geluid van de gierende motoren, het Duitse afweergeschut en de enorme klap, heerst er opeens een vreemde, vredige stilte. Als de eerste ooggetuigen ter plaatse arriveren, treffen zij een verschrikkelijke situatie aan. Het ooit zo machtige vliegtuig is in talloze stukken uiteen geslagen en brandende delen liggen over een groot oppervlakte verspreid. In de nabije omgeving van het vliegtuig liggen drie ontzielde lichamen. Leden van het Rode Kruis afdeling Middelharnis-Sommelsdijk weten vijf andere lichamen uit het toestel te halen, een zesde dat zich voor in het toestel bevindt kan pas geborgen worden als de hitte is afgenomen. Enkele burgers worden met hun paard en wagen gevorderd om de lichamen van de vliegeniers naar de Algemene Begraafplaats te Sommelsdijk te brengen. Daar worden ze op 7 april 1945 in alle stilte in een massagraf begraven.

 


 

De negen jonge bemanningsleden die op deze noodlottige dag om het leven komen maken deel uit van de zogenaamde Roufs-crew die overigens normaal gesproken uit tien man bestaat. Op deze missie is bommenrichter Clarence H. Middelton wegens onbekende redenen niet aan boord. Ook buikkoepelschutter Carl E. Hultquist is er op deze missie niet bij, maar hij wordt vervangen door Wayne E. Watson. De bemanning die op die dag het vliegveld van Unterschlauersbach bij Neurenberg moet bombarderen bestaat uit:

  • 1LT Darril F. Roufs (piloot)
  • 2LT William E. Barnard (co-piloot)
  • 1LT Donald C. Grant (navigator)
  • T/SGT William J.B. Plein (boordwerktuigkundige)
  • T/SGT Lilbert D. Pickens Jr. (radiotelegrafist)
  • S/SGT Paul O. Hartkopf (rompschutter)
  • S/SGT John L. Emmons (rompschutter)
  • S/SGT Bernard W. Koutz (staartschutter)
  • SGT Wayne E. Watson (buikkoepelschutter)

Eerste luitenant Roufs en zijn bemanning vliegen hun eerste missie op 5 december 1944 en met als doel Berlijn en vliegend in het low-squadron is dit absoluut geen prettige vuurdoop. De missie verloopt voor hen echter voorspoedig en de maanden erna worden nog vele vluchten succesvol afgerond. Als eind maart de teller van het aantal missies de 30 passeert, begint de bemanning daadwerkelijk te geloven in een succesvol einde van de oorlog. Het volbrengen van een zogenaamde ‘tour’ ligt namelijk bij 35 afgeronde missies en biedt de mogelijkheid om naar huis terug te keren. De 22-jarige navigator Donald C. Grant schrijft na terugkomst van zijn 33ste missie op 4 april naar zijn ouders dat hij goede hoop heeft zijn verjaardag op 3 mei thuis te vieren. Het antwoord dat ze hem zullen opwachten met een heerlijke steak volgens grootmoeders recept zal hij nooit meer lezen… Na de oorlog worden de jongemannen herbegraven op de Belgische Amerikaanse begraafplaats in Neuville-en-Condroz. De familie van Barnard, Emmons, Grant, Hartkopf en Koutz kiezen er voor om hun geliefde in hun woonplaats in de Verenigde Staten te herbegraven.

 


 

De Boeing B-17 is een zware viermotorige Amerikaanse langeafstandsbommenwerper waarvan het eerste ontwerp uit de jaren ’30 van de vorige eeuw stamt. Nadat de Verenigde Staten eind 1941 in de oorlog betrokken raakten, worden de eerste toestellen van het E-type o.a. in Engeland gelegerd als onderdeel van de 8th US Army Air Forces. Vanaf dat moment nemen de bombardementen op Hitler-Duitsland in alle hevigheid toe. De Amerikanen met hun operaties overdag en de Engelsen en hun andere bondgenoten in de avond en nacht.

Vanwege zijn geduchte, en in de loop van zijn ontwikkeling steeds verder verbeterde eigen bewapening, krijgt het toestel al snel de bijnaam Flying Fortress (Vliegend Fort). Desondanks worden er door de Duitse luchtmacht en het luchtafweergeschut grote verliezen toegebracht. Vanaf medio 1944 kunnen de nieuwe generaties geallieerde jachtvliegtuigen meevliegen tot ver in Duitsland als bescherming van de bommenwerpers. Vanaf dat moment lopen de geallieerde verliezen dan ook sterk terug, dat geldt helaas niet voor de B-17G met serienummer 43-38131 die hier op 5 april 1945 neerstort. Het toestel kent een relatief lange geschiedenis in het oorlogstheater welke begint op 3 augustus 1944. Op deze dag vliegt piloot Robert C. Baum en zijn bemanning het Vliegend Fort op haar eerste missie om de Focke Wulf fabrieken in Bremen te bombarderen. Na dienst te hebben gedaan met diverse bemanningen van de 490th Bomb Group, wordt de B-17 op 7 januari 1945 toegewezen aan Roufs die tot dan toe al missies heeft gevlogen op tien verschillende toestellen. Zoals gebruikelijk krijgt ook dit toestel een naam van haar bemanning en wel ‘Little Miss Mary Kay’, naar de dochter Mary Kay van gezagsvoerder Roufs. De bommenwerper zal uiteindelijk in totaal ruim zestig missies vliegen en diverse dagen worden ingezet als trainingstoestel alvorens zij op die mistroostige donderdagmiddag 5 april 1945 op Goeree-Overflakkee neerstort.