Slachtoffers / Den Bommel / Anthonie Wesdijk
Geboren
Anthonie Wesdijk wordt geboren in Den Bommel, zoon van Leendert Wesdijk en Jannetje van den Bos.
20 oktober 1913 – tussen 2 en 4 april 1945
Anthonie Wesdijk werd op 20 oktober 1913 geboren in Den Bommel, als zoon van Leendert Wesdijk en Jannetje van den Bos. Hij trouwde met Lena Tuyn. Van beroep was hij, zoals de stukken van het Rode Kruis vermelden, “klopmolen-arbeider” — in het Engelstalige deel van hetzelfde dossier vertaald als “concrete-worker”. Op het moment dat hij voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland werd weggevoerd, woonde het gezin niet meer op Goeree-Overflakkee maar aan de Sikkelstraat in Rotterdam.
Over de precieze omstandigheden van Anthonies wegvoering naar Duitsland en de plaatsen waar hij vóór het voorjaar van 1945 heeft gewerkt, is in de geraadpleegde bronnen niets teruggevonden. Vast staat wel dat hij, enkele dagen voor de bevrijding van het gebied, terechtkwam in het particuliere Ausländerlager van de firma Polensky & Zöllner bij Lahde, een plaatsje aan de Weser bij Minden. Volgens een naoorlogse verklaring van de toenmalige kampleider, Wilhelm Rehling, arriveerde Anthonie daar omstreeks 2 of 3 april 1945 “geheel uitgeput” — vermoedelijk met een terugtransport vanuit het westen, waar het front al dichterbij was gekomen.
In het kamp knapte hij niet meer op. Hij lag er ongeveer twee dagen, tot hij één dag voordat de geallieerde troepen Lahde bezetten, aan uitputting overleed. Vier van zijn landgenoten — andere Nederlandse dwangarbeiders in hetzelfde kamp — verzorgden zijn begrafenis op de evangelische begraafplaats van Lahde: het eerste graf in de derde rij, ten zuiden van de kapel, een graf zonder nummer.
Een officiële registratie van zijn overlijden kwam er op dat moment niet: de plaatselijke ambtenaar van de burgerlijke stand had zijn registers al begraven voordat Anthonie stierf, uit angst voor de naderende geallieerde troepen. Twee brieven die bij Anthonie werden aangetroffen, werden door het kamp in bewaring genomen; toen Lahde kort daarna werd ontruimd, nam Rehling deze papieren mee om ooit de familie te kunnen inlichten. Omdat hij het adres niet kende, gebeurde dat pas meer dan een jaar later, in 1946, toen de Britse opsporingsdienst (56 Tracing Office, B.A.O.R.) de zaak oppakte en Rehlings verklaring doorstuurde naar het Nederlandsche Roode Kruis.
Pas op 25 november 1946 — ruim anderhalf jaar na zijn overlijden — kon het Roode Kruis de familie officieel berichten. Door een adresverwarring werd het bericht pas op 15 januari 1947 daadwerkelijk aan de weduwe uitgereikt. De formele registratie van zijn overlijden bij de burgerlijke stand van Rotterdam volgde op 5 februari 1947, op basis van een uittreksel uit het overlijdensregister van Lahde. Anthonie Wesdijk werd 31 jaar oud.
Particuliere “Ausländerlager”: dwangarbeid buiten het kampsysteem
Niet elke Nederlandse dwangarbeider in Duitsland kwam terecht in een concentratiekamp of een kamp van de SS. Veel bouw- en aannemingsbedrijven — zoals de firma Polensky & Zöllner, actief in de weg- en waterbouw — exploiteerden hun eigen “Ausländerlager” voor buitenlandse arbeidskrachten, meestal vlak bij de bouwplaats. Voorzieningen en discipline verschilden sterk per bedrijf en per kamp, maar in de chaotische laatste oorlogsmaanden, toen het Duitse front instortte en uitgeputte arbeiders massaal werden teruggevoerd vanuit het westen, gold voor deze particuliere kampen net als voor de grote concentratiekampen: de administratie liep vast. Toen Anthonie Wesdijk in het kamp bij Lahde overleed, had de plaatselijke ambtenaar van de burgerlijke stand zijn registers al begraven — waardoor zijn overlijden nooit ter plekke officieel is vastgelegd, en zijn familie meer dan anderhalf jaar in onzekerheid bleef over zijn lot.